Kantonrechter Delft 15-01-2004 (Van Essen), JAR 2004, 226


Arbeidstijd. Wijziging arbeidsvoorwaarden.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2004, 226.

De werkneemster heeft de werkgever verzocht om vermindering van haar arbeidsduur van 30 naar 24 uur per week. Zij heeft thans ouderschapsverlof van 11 april 2003 tot 8 juli 2004 in welk kader zij 24 uur per week werkt. De werkgever heeft het verzoek om vermindering van de arbeidsduur afgewezen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het noodzakelijk is om grenzen te stellen aan het aantal medewerkers dat in deeltijd werkt in verband met roostertechnische problemen, problemen met de overdracht van werk, verlies aan kennis en inzetbaarheid en teveel overhead. Specifiek met betrekking tot de situatie van de werkneemster heeft de werkgever aangegeven dat, als zij korter gaat werken het langer zal duren voor zij op de hoogte is van alle wijzigingen en nieuwe methoden, dat allerlei zaken zullen blijven liggen wegens tijdgebrek, dat het met de bestaande formatie al moeite kost om de zaken rond te krijgen en dat het pas na hoge kosten en veel moeite mogelijk is gebleken geschoold personeel te werven. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de werkgever onvoldoende aannemelijk gemaakt dat juist inwilliging van het verzoek van de werkneemster zwaarwegende bedrijfsbelangen van de werkgever zou schaden. Inwilliging van het verzoek van de werkneemster zal van de werkgever mogelijk nog enige verdere organisatorische aanpassingen vergen, anders dan de aanpassingen die al nodig zijn geweest in verband met het ouderschapsverlof, maar die omstandigheid kan niet als een zwaarwegend belang van de werkgever worden aangemerkt. Dat het moeite kost om binnen het bestaande budget te komen tot volledige bezetting van de formatie is evenmin een zwaarwegend belang, waarbij wordt aangetekend dat gesteld noch gebleken is dat inwilliging van het verzoek van de werkneemster tot een substantiële uitbreiding van de formatie zou moeten leiden. Verder is niet komen vast te staan dat de werkneemster de ontwikkelingen op haar vakgebied niet meer zou kunnen bijhouden. Dat zij minder vaak bij werkoverleg zal zijn, kan ondervangen worden doordat zij de informatie op andere wijze krijgt. Tenslotte is tijdens het ouderschapsverlof van de werkneemster gebleken dat de werkzaamheden op haar afdeling gewoon doorgang vinden. Het verzoek van de werkneemster is dan ook toewijsbaar.

Terug naar overzicht