Kantonrechter Delft 16-05-2002 (Sarlemijn), JAR 2002, 125


CAO (Werkingssfeer algemeen verbindend verklaarde). VUT (overgangsregeling prépensioen).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 125.

De werkgever is tot eind 1997 lid geweest van de werkgeversorganisatie KHN. Op 1 september 2000 is de werkgever lid geworden van een andere werkgeversorganisatie, NHG. Tussen KHN en de vakbonden is de CAO Overgangsregeling voor het Horecabedrijf 2000/2004 afgesloten, de CAO-Ohor. Deze CAO voorziet in een VUT-regeling. De CAO-Ohor wordt uitgevoerd door de Stichting-Ohor (hierna "Sohor"), gedaagde in deze procedure. De CAO-Ohor is met ingang van 12 september 2000 algemeen verbindend verklaard. NHG-leden zijn op verzoek van NHG van de algemeen verbindend verklaring uitgesloten voor zover zij voor 12 september 2000 lid van NHG zijn geworden. NHG had om dispensatie verzocht onder meer omdat zij een eigen volwaardige VUT-regeling zou kennen. Deze is neergelegd in de CAO-Vuho en wordt uitgevoerd door de stichting VUHO (Svuho). De werknemer heeft bij Svuho een aanvraag om een VUT-uitkering ingediend, maar deze is afgewezen op de grond dat Svuho geen VUT-uitkeringen meer verstrekt. De werknemer heeft zich daarop tot Sohor gericht. Deze heeft zijn verzoek om een VUT-uitkering afgewezen omdat de werkgever vanwege de dispensatie geen werkgever in de zin van de CAO-Ohor is en de werknemer daardoor geen werknemer is in de zin van het VUT-reglement. De werknemer vordert thans dat Sohor bij wege van een voorlopige voorziening wordt veroordeeld om aan hem alsnog een uitkering te verstrekken. Hiertoe voert hij aan dat de CAO-Vuho is beëindigd en dat de CAO-Ohor daardoor herleeft en beroept hij zich voor het overige op de redelijkheid en billijkheid. Sohor betwist dat de CAO-Vuho is beëindigd. De kantonrechter stelt vast dat, nu de CAO-Ohor op de voorziene uittredingsdatum van de werknemer noch van toepassing was op grond van de algemeen verbindend verklaring, noch op grond van lidmaatschap van de werkgever van een CAO-partij, de werkgever van de werknemer niet voldoet aan de definitie van werkgever in de zin van de CAO-Ohor. Daarom kan de werknemer geen aanspraken ontlenen aan deze CAO. De CAO-Ohor is ook niet herleefd doordat de stichting VUHO geen uitkeringen meer doet. Evenmin is Sohor op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden aan de werknemer een uitkering te doen. Weliswaar is het treurig dat de werknemer geen VUT-uitkering meer krijgt doordat zijn werkgever van werkgeversorganisatie is gewisseld en het VUT-fonds van NHG geen uitkering meer doet, maar Sohor heeft geen aandeel gehad in deze gang van zaken. De vordering van de werknemer is daarom niet toewijsbaar.

Terug naar overzicht