Kantonrechter Delft 26-10-2000 (Sarlemijn), JAR 2000, 253


Loon. Ziekte. Ontslag op staande voet. Matiging loonvordering. Wettelijke verhoging.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 253.

Een 33-jarige verpakkingsmedewerkster (negen jaar in dienst, salaris NLG 2.604,-- bruto per maand) wordt na één jaar ziekte (met ingang van 27 februari 1999) volledig arbeidsgeschikt geacht door het GAK. De werkneemster stelt dat zij nog steeds arbeidsongeschikt is en hervat, na tussentijds op arbeidstherapeutische basis gewerkt te hebben, haar werkzaamheden niet meer na 26 april 1999. Zij maakt bezwaar tegen de beslissing van het GAK doch dit wordt ongegrond verklaard. De Arbo-dienst acht de werkneemster eveneens arbeidsongeschikt. Na ontvangst van de beslissing van het GAK per 1 juli 1999 roept de werkgever de werkneemster op het werk te hervatten. De werkneemster meldt zich echter met terugwerkende kracht (met ingang van 10 mei 1999) ziek. Na 52 weken wordt de werkneemster weer arbeidsgeschikt geacht door het GAK en weer roept de werkgever haar op het werk te hervatten. Als de werkneemster niet op het werk verschijn, wordt zij op staande voet ontslagen. De werkneemster roept de nietigheid in en vordert na een voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De werkgever die bij voorlopige voorziening is veroordeeld tot doorbetaling van loon, vordert in reconventie restitutie van de loonbetaling. De kantonrechter overweegt dat de Arbo-arts vanaf de aanvang van de loonvorderingsperiode van oordeel is geweest dat de werkneemster arbeidsongeschikt was. Gezien dit oordeel kan van de werkneemster in redelijkheid niet gevergd worden dat zij een deskundigenverklaring zou aanvragen. Gezien de ziekmelding met terugwerkende kracht en de mening van de Arbo-arts moet er van worden uitgegaan dat de werkneemster vanaf 26 april 1999 arbeidsongeschikt was. Hoewel de exacte datum van de aanvang van de nieuwe ziekteperiode niet kan worden vastgesteld, is er geen sprake van samentelling van de ziekteperioden omdat de tweede ziekteperiode niet binnen vier weken na het einde van de eerste ziekteperiode is aangevangen. De werkgever is derhalve gehouden het loon vanaf 26 april 1999 door te betalen tot 52 weken later. Met betrekking tot het ontslag op staande voet op 3 april 2000 (datum mededeling GAK-arts dat de werkneemster arbeidsgeschikt was) overweegt de kantonrechter dat deze mededeling betrekking had op de WAO-uitkering per 7 mei 2000. Dit betekent dat de GAK-arts pas per 7 mei 2000 had mogen oordelen dat de werkneemster arbeidsgeschikt was en dus gold op 3 april 2000 het oordeel van de Arbo-dienst dat de werkneemster arbeidsongeschikt was. Er was dus geen sprake van onwettig verzuim en het ontslag op staande voet is vernietigbaar. Ondanks de verwarrende situatie voor de werkgever ziet de kantonrechter geen…

Verder lezen
Terug naar overzicht