Kantonrechter Den Helder 25-10-2001 (Schlingemann), Prg. 2002, 5816


Ontslag op staande voet (onwettig verzuim). Verjaring. Ziekte (overtreding controlevoorschriften).

Een werknemer, drie jaar in dienst, salaris NLG 5.942,20 bruto per maand, meldt zich daags voor het einde van de vakantieperiode tijdens zijn verblijf in Frankrijk ziek. De werkgever laat de werknemer weten dat hij zich ter controle moet melden bij de Arbo-arts en de Arbo-arts roept de werknemer op te verschijnen op zijn spreekuur. Aan beide oproepen geeft de werknemer geen gevolg doch hij meldt zich bij een Franse arts. De werkgever ontslaat de werknemer vervolgens op staande voet. Bij terugkeer in Nederland roept de werknemer de nietigheid in en vordert doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De kantonrechter overweegt dat op grond van jurisprudentie van het Europees Hof inzake art. 18 EG-Verordening (754/72) het bevoegde orgaan (in casu de werkgever) gebonden is aan hetgeen het orgaan van de woonof verblijfplaats met betrekking tot het begin en de duur van de arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld, indien het orgaan de werknemer niet door een arts van eigen keuze heeft laten onderzoeken. De werkgever had indien hij de werknemer zelf had willen laten keuren, een eigen arts moeten sturen of een arts in Frankrijk moeten inschakelen. Bovendien had de werkgever de controle door het Lisv kunnen laten uitvoeren. De eis van de werkgever aan de werknemer om zich te melden in Nederland is derhalve onredelijk en de weigering van de werknemer om daaraan te voldoen is geen dringende reden voor ontslag. Dit zou anders zijn indien er sprake zou zijn van misbruik of bedrog, doch dit is niet door de werkgever gesteld. Uit de door de werknemer overgelegde brieven van een Franse arts en de second opinion van het GAK blijkt dat de werknemer in de betreffende periode arbeidsongeschikt was. Ook is niet gebleken dat de werknemer na terugkeer in Nederland de controlevoorschriften heeft overschreden, zodat opschorting van de loonverplichting niet gerechtvaardigd is. Met betrekking tot de verjaring van de vordering overweegt de kantonrechter dat de werknemer zich na terugkeer bereid heeft verklaard zijn werk te verrichten. Deze verklaring heeft de verjaring van zes maanden gestuit. De kantonrechter wijst de vordering toe vermeerderd met de wettelijke verhoging van 25%.

Terug naar overzicht