Kantonrechter Deventer 16-05-2002 (Van Aerde), Prg. 2002, 5892


Wederzijds goedvinden.

Een buurtconciërge bij een woningstichting wordt door zijn werkgever gewaarschuwd dat wanneer zou blijken dat hij weer geld van relaties van de werkgever leent, dit ernstige consequenties voor zijn arbeidsovereenkomst zal hebben. Wanneer de werknemer inderdaad weer geld leent, ziet de werkgever zich genoodzaakt de arbeidsovereenkomst te beëindigen, doch wel onder aanbieding van een alternatieve functie bij een andere werkgever. Als de werknemer inderdaad bij de nieuwe werkgever aan het werk kan, ondertekent hij de brief waarmee hij instemt met zijn ontslag. Drie weken later komt de werknemer daarop terug, omdat hij onder druk zou hebben getekend. Hij vordert toelating tot zijn werkzaamheden en doorbetaling van loon. De kantonrechter is van oordeel dat de werknemer niet zodanig onder druk is gezet dat hij niet aan zijn instemming met het ontslag kan worden gehouden. De werknemer heeft vanaf 4 februari tot en met 21 februari (toen de brief werd voorgelegd) de tijd gehad om na te denken over het voorgenomen ontslag per 1 mei 2002 en de nieuwe baan. Hoewel de werknemer moest kiezen tussen meerdere kwaden, wil dit niet zeggen dat op hem onaanvaardbare druk is gelegd om in te stemmen met het ontslag. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht