Kantonrechter Deventer 28-05-2003 (Boele), JAR 2003, 186


Gelijke behandeling. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 186.

De werkneemster, ten tijde van het geding 69 jaar oud, is in 1988 bij de werkgever in dienst getreden. In maart 2002 heeft de werkgever de werkneemster laten weten dat hij, gezien haar leeftijd en het feit dat zij in toenemende mate moeite zou hebben haar werk op tijd en goed te verrichten, de arbeidsovereenkomst wil beëindigen. De werkneemster heeft tegen dit voornemen geprotesteerd. Daarop heeft de werkgever een ontslagvergunning gevraagd bij de CWI. De werkneemster heeft als verweer onder meer aangevoerd dat zij tot 1 januari 2003 wil blijven werken. De CWI heeft de ontslagaanvraag geweigerd omdat niet is komen vast te staan dat de werkneemster onvoldoende zou functioneren en niet is gebleken van een noodzaak om eerder dan op 1 januari 2003 tot ontslag te komen. De werkneemster heeft zich in mei 2002 ziek gemeld. De werkneemster vraagt thans ontbinding met toekenning van een vergoeding. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst. Ten aanzien van het verzoek om een vergoeding overweegt de kantonrechter dat het enkele feit dat de werkgever niet eerder kritiek op het functioneren van de werkneemster heeft geuit, niet betekent dat hij dit niet mocht doen op het moment dat hij tot ontslag wilde komen. Evenmin heeft de werkgever ten onrechte de leeftijd van de werkneemster in zijn visie betrokken. In zijn algemeenheid eindigt het arbeidzame leven immers op 65-jarige leeftijd, waarbij niet onvermeld mag blijven dat een onvrijwillige beëindiging vanwege het bereiken van die leeftijd ook geen ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd oplevert. Een en ander levert een voldoende objectieve rechtvaardigingsgrond op voor de wens van de werkgever om tot een beëindiging van de arbeidsrelatie met de werkneemster te komen. Bij de beoordeling van die wens past een terughoudende inhoudelijke toetsing van feiten en omstandigheden waaruit het al dan niet geschikt zijn voor haar werk van de werkneemster blijkt. Overigens is de kantonrechter niet gebleken dat de kritiek van de werkgever op het functioneren van de werkneemster volledig onjuist was. Voor het toekennen van een vergoeding is, gezien voorgaande, geen grond.

Verder lezen
Terug naar overzicht