Kantonrechter Eindhoven 01-05-2001 (Leclercq), Prg. 2001, 5689


Ziekte. (passende arbeid). Loon. RDA-vergunning. Wettelijke verhoging.

Een werknemer, acht jaar in dienst als medewerker postkamer, gaat om plaats te maken voor een andere (arbeidsongeschikte) werknemer werken als magazijnmedewerker. De werknemer wordt ziek en na 6 maanden afgeschat tot minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. De werknemer verzoekt daarop zijn werkgever om terugplaatsing in de functie van medewerker postkamer. De werkgever stelt geen passend werk te hebben, ook niet in de postkamer en staakt de loonbetaling. Wel is de werkgever bereid de WW-uitkering aan te vullen tot 100% tot het moment dat de werknemer twee jaar arbeidsongeschikt is. De werknemer vordert vervolgens in kort geding tewerkstelling en doorbetaling van loon. De president wijst de vordering af, evenals het Hof. Het beroep van de werknemer tegen de beslissing van de bedrijfsvereniging wordt ongegrond verklaard. Als de RDA zijn toestemming weigert om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, vordert de werknemer bij voorlopige voorziening toelating tot zijn werkzaamheden in de postkamer of een andere passende functie en doorbetaling van loon vermeerdert met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. De werkgever acht de werknemer niet ontvankelijk in zijn vordering omdat deze eerder aan de rechtbank en het Hof is voorgelegd en er zich geen nieuwe feiten hebben voorgedaan. De kantonrechter stelt dat de RDA-procedure wel degelijk nieuwe feiten heeft opgeleverd. Naar aanleiding van het advies van de Uitvoeringsinstelling komt de RDA tot de conclusie dat de werknemer arbeidsgeschikt is voor werkzaamheden in de postkamer en dat hij nooit in de gelegenheid is gesteld zijn werk te hervatten. Daargelaten de vraag in hoeverre een werkgever zich mag beroepen op een oordeel van de Uitvoeringsinstelling dat de werknemer arbeidsongeschikt is, is de kantonrechter van oordeel dat de werknemer geschikt is voor werk op de postkamer en dat hij daar moet worden tewerkgesteld. Tot het moment van tewerkstelling veroordeelt de kantonrechter de werkgever tot suppletie van de WW-uitkering zonder de wettelijke verhoging omdat de werkgever dit destijds heeft aangeboden doch de werknemer hier niet op in is gegaan

Verder lezen
Terug naar overzicht