Kantonrechter Eindhoven 04-03-1999, 23-09-1999, JAR 1999, 265 (Roeterdink)


Gezagsverhouding (managementovereenkomst). Competentie. Ontbinding (voorwaardelijke) gewichtige redenen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 265.

Een manager sluit per 1 september 1992 een managementovereenkomst voor vijf jaar. Drie jaar na het sluiten van de overeenkomst wordt de manager benoemd tot statutair directeur en twee jaar later, na ontslag als statutair directeur, blijft hij werkzaam als verkoper tegen hetzelfde salaris. Vervolgens wordt de arbeidsovereenkomst opgezegd. De manager stelt dat het in feite een arbeidsovereenkomst betreft aangezien hij tegen betaling van loon verplicht was persoonlijk arbeid te verrichten en vordert een verklaring voor recht dat de opzegging nietig is en doorbetaling van loon. De (arbeids)overeenkomst wordt vervolgens voorwaardelijk ontbonden met een vergoeding van NLG 85.000,--. De werkgever stelt dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat ook al zou er wel sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, de kantonrechter niet bevoegd is, omdat de manager bestuurder is geweest. De kantonrechter acht zich daarentegen wel bevoegd aangezien de manager zijn vordering baseert op een arbeidsovereenkomst. Het feit dat hij statutair directeur is geweest doet daar niet aan af, omdat de vorderingen niet gegrond zijn op een overeenkomst tussen de onderneming en zijn bestuurder. Bovendien heeft de manager zowel voor als na het bestuurderschap als commercieel directeur c.q. verkoper gewerkt. De vorderingen houden dus onvoldoende verband met zijn positie van statutair directeur. Gelet op de inhoud van de managementovereenkomst, op hetgeen partijen voor ogen stond en op de wijze waarop zij daaraan feitelijk uitvoering hebben gegeven, is er geen sprake van een arbeidsovereenkomst maar van een overeenkomst van opdracht. Van belang hierbij is dat de overeenkomst is gesloten tussen de onderneming en de eenmanszaak van de manager die met de commerciële directie werd belast tegen een managementvergoeding van NLG 143.822,-- per jaar. Daarbij werd BTW in rekening gebracht, werden geen premies en loonbelasting ingehouden en werd er geen vakantiegeld of loon bij ziekte uitgekeerd. Niet gebleken is dat de manager daartegen bezwaar heeft gemaakt. Het feit dat hij de werkzaamheden persoonlijk diende te verrichten, doet hier niet aan af, nu deze omstandigheid een overeenkomst van opdracht niet uitsluit. Ook het feit dat er op een gegeven moment werknemerspremies zijn ingehouden, is onvoldoende om van een arbeidsovereenkomst te kunnen spreken, temeer daar de werkgever dit uitsluitend deed op verzoek van de bedrijfsvereniging. Niet uitgesloten is dat de overeenkomst op een gegeven moment in een arbeidsovereenkomst is overgegaan doch de manager heeft hierover te weinig gesteld. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht