Kantonrechter Eindhoven 06-03-2003 (Roeterdink), Prg. 2003, 6035


Bepaalde tijd. Concurrentiebeding.

(Zie voorgeschiedenis Kantonrechter Eindhoven 12-06-2001, Prg. 2001, 5709, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2001, blz. 61). De kantonrechter heeft bij voorlopige voorziening geoordeeld dat het concurrentiebeding geldt en heeft het beperkt tot een jaar. De werknemer is het daarmee niet eens en vordert in een bodemprocedure een verklaring voor recht dat het concurrentiebeding ongeldig is, stellende dat bij omzetting van zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd het concurrentiebeding niet opnieuw schriftelijk is overeengekomen. Voor het geval het concurrentiebeding wel geldt, dient het te worden vernietigd omdat het zwaarder is gaan drukken op de werknemer. Daarnaast is er sprake van een ondergeschikt belang omdat de werkgever zich heeft teruggetrokken uit de betreffende marktsector en hem dus geen concurrentie wordt aangedaan. Bovendien is het de werkgever geweest die de arbeidsovereenkomst heeft doen eindigen. De kantonrechter is met de werkgever van oordeel dat het concurrentiebeding is blijven gelden, omdat de werknemer de brief, waarbij omzetting van de arbeidsovereenkomst is vastgelegd en alle arbeidsvoorwaarden, behalve de duur en het salaris, hetzelfde zijn gebleven, voor akkoord heeft ondertekend. In dat geval behoefde het concurrentiebeding niet opnieuw schriftelijk te worden overeengekomen. Ook is niet gebleken dat het concurrentiebeding zwaarder is gaan drukken. De omstandigheid dat de werknemer veel specifieke kennis heeft opgedaan doet daar niet aan af. Met betrekking tot de beperking van de werking is de kantonrechter van oordeel dat er met betrekking tot de productontwikkeling geen sprake is van concurrerende activiteiten. Wel staat vast dat beide bedrijven zich bezighouden met het leveren van apparatuur aan verzinkerijen en dat de nieuwe werkgever na indiensttreding van de werknemer bepaalde werkzaamheden niet meer uitbesteedt aan de oude werkgever. De kantonrechter is van oordeel dat beide werkgevers elkaar beconcurreren op een markt, waarin weinig aanbieders actief zijn. Daarnaast is voldoende aannemelijk dat de werknemer dusdanig producten klantgerelateerde kennis heeft opgedaan bij de werkgever, dat de werkgever er belang bij heeft de werknemer aan het concurrentiebeding te houden. De primaire, evenals de subsidiaire en de meer subsidiaire vorderingen dienen dan ook te worden afgewezen. Aangezien de werkgever zich heeft teruggetrokken uit bepaalde marktgebieden, is de kantonrechter van oordeel dat het concurrentiebeding geldt voor één jaar doch niet voor de activiteiten van de werknemer in Frankrijk.

Verder lezen
Terug naar overzicht