Kantonrechter Eindhoven 20-05-2003 (Van der Ham), JAR 2003, 172


Ontbinding gewichtige redenen. Opzegging. Schadeloosstelling. Wederzijds goedvinden. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 172.

De werkneemster is vanaf 1994 bij de werkgever in dienst als groepsleerkracht en werkt vanaf 2000 voltijd tegen een salaris van € 2.555,-- per maand exclusief vakantietoeslag. Medio 2000 is de werkneemster arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van psychische klachten. Reïntegratie is niet mogelijk gebleken. In het voorjaar van 2002 heeft de werkneemster laten weten dat zij voor 20 uur per week voor zichzelf zou willen beginnen. De medewerkster van het door de werkgever ingeschakelde reïntegratiebureau heeft daarop geopperd dat de werkneemster zelf ontslag zou moeten nemen. In een volgend gesprek heeft zij dit advies herhaald. De werkneemster is ervan uitgegaan dat zij moest meewerken aan ontslag teneinde haar WW-uitkering veilig te stellen. Daarom heeft zij meegewerkt aan het sluiten van een beëindigingsovereenkomst en heeft zij vervolgens per 1 augustus 2003 voor 20 uur per week ontslag genomen. Toen vervolgens bleek dat de werkneemster geen aanspraak kon maken op een WW-uitkering op basis van 40 uur per week, heeft zij de beëindigingsovereenkomst buitengerechtelijk vernietigd en de nietigheid van haar opzegging ingeroepen. De werkgever stelt dat het ontslag rechtsgeldig heeft plaatsgevonden en niet vernietigbaar is. De kantonrechter acht het beroep op dwaling van de werkneemster toewijsbaar. De werkneemster heeft onbetwist gesteld dat zij door de medewerkster van het reïntegratiebureau onjuist is voorgelicht omtrent de gevolgen voor haar WW-uitkering bij vrijwillige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Gelet op het inkomensverlies dat de werkneemster lijdt als gevolg van de opzegging, alsmede op het feit dat de werkneemster diverse malen heeft aangegeven de opzegging te willen herroepen, acht de kantonrechter het voldoende aannemelijk geworden dat de werkneemster de overeenkomst niet zou hebben gesloten indien zij juist was geïnformeerd over de gevolgen daarvan voor haar WW-uitkering. Het verweer van de werkgever dat het handelen van het reïntegratiebureau niet aan hem moet worden toegerekend, wordt door de kantonrechter verworpen. De werkgever heeft het bureau ingeschakeld ten behoeve van de reïntegratie van de werkneemster en het bureau heeft de werkgever daarbij vertegenwoordigd. De werkneemster kan niet worden verweten dat zij vertrouwde op de deskundigheid van de medewerkster van het reïntegratiebureau. Veeleer had het op de weg van de werkgever gelegen om na de opzegging bij de werkneemster te informeren of zij zich van de financiële gevolgen van die beslissing bewust was. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de beëindigingsovereenkomst terecht is vernietigd. De opzegging wordt daarmee geacht nimmer te hebben plaatsgevonden. Bij beschikking van dezelfde dag ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van de werkgever, nu partijen het erover eens zijn dat terugkeer van de werkneemster in het onderwijs geen optie is. Naar het oordeel van de kantonrechter valt het…

Terug naar overzicht