Kantonrechter Eindhoven 22-05-2003 (Roosmale Nepveu), Prg. 2003, 6079


Onkostenvergoeding. Wettelijke verhoging.

Een werknemer, sinds 1990 in dienst bij een bakker, haalt in 1993 zijn diploma banketbakkersbediende, naar aanleiding waarvan hij op grond van de CAO recht heeft op een toeslag. Daarnaast heeft de werknemer recht op een kledingtoeslag omdat de werkgever geen bedrijfskleding verstrekt. Nadat de werkgever is overleden en de bakkerij is overgenomen, vordert de werknemer betaling van deze toeslagen vermeerderd met de wettelijke verhoging. De nieuwe werkgever beroept zich op verjaring en is bereid de toeslagen te betalen vanaf november 1997 omdat hij pas in november 2002 op de hoogte was van het feit dat de toeslagen niet waren uitbetaald. Mede gezien de gebrekkige administratie kon de werkgever dit ook niet weten. De kantonrechter overweegt dat er grond voor verlenging van de verjaringstermijn van vijf jaar bestaat, als de schuldenaar opzettelijk het bestaan van de schuld of de opeisbaarheid daarvan verborgen houdt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 01-11-2002 (Younan/Van Lennep, RvdW 2002, 175, JOL 2002, 580, NJ 2002, 600, JAR 2002, 278, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 258) bepaalt dat onder "opzettelijk verborgen houden van een schuld" wordt verstaan het opzettelijk verborgen houden van de feiten die de grond vormen van de vordering. Verlenging van de verjaringstermijn moet daarom niet al te snel worden aangenomen, ook niet ingeval van een slordige werkgever. Waarom de werkgever de toeslag niet heeft betaald, is niet meer te achterhalen, omdat de werkgever is overleden, de administratie niet meer voorhanden is en het administratiekantoor heeft opgehouden te bestaan. Het niet uitreiken van een exemplaar van de CAO is niet een opzettelijk verborgen houden, nu een ieder die dit wil in bezit kan komen van een CAO. De werknemer had zelf zijn CAO-aanspraken moeten verifiëren met de loonbetalingen. De kantonrechter honoreert het beroep op verjaring en veroordeelt de werkgever tot betaling van het niet-verjaarde gedeelte van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente. De wettelijke verhoging wordt beperkt tot nihil, gezien het jarenlange stilzitten van de werknemer.

Verder lezen
Terug naar overzicht