Kantonrechter Eindhoven 23-05-2001 (Roeterdink), JAR 2001, 116


Bepaalde tijd. Ontbinding gewichtige redenen (verzoek op nader aan te voeren gronden). Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 116.

Een werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van een werknemer (37 jaar, voor bepaalde tijd van één jaar in dienst, salaris NLG 6.500,-- bruto per maand) op grond van veranderde omstandigheden. Hij stelt daartoe dat de werknemer zich niet heeft willen houden aan de afspraken over inwerken die tijdens de sollicitatiegesprekken met hem zijn gemaakt. De werknemer bestrijdt dit en stelt dat hem geen reële kans is geboden om zich de werkzaamheden eigen te maken. Verder voert hij aan dat het ontbindingsverzoek niet ontvankelijk is omdat de werkgever de gronden van het verzoek eerst bij aanvullend verzoekschrift kenbaar heeft gemaakt. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Daartoe verwijst de kantonrechter naar art. 429i Rv dat de rechter de mogelijkheid biedt tot het toestaan van een aanvulling van de gronden. Het aanvullend verzoekschrift is op 30 maart 2001 ter griffie ingekomen en vervolgens is de werknemer tot 26 april 2001 de mogelijkheid geboden om een verweerschrift in te dienen. Derhalve kan niet worden gezegd dat de werknemer is benadeeld in het voeren van verweer, terwijl hij evenmin is benadeeld door het feit dat de mondelinge behandeling niet binnen vier weken na de indiening van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden. De kantonrechter ontbindt vervolgens de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer van ruim vier maandsalarissen (NLG 28.500,-- bruto), na een dienstverband van vijf maanden. Daarbij wijst de kantonrechter op het feit dat de werknemer er in beginsel van mocht uitgaan dat het dienstverband tenminste een jaar zou duren en hem geen duidelijk verwijt valt te maken van het vroegtijdige einde ervan

Terug naar overzicht