Kantonrechter Eindhoven 26-02-2002 (Roeterdink), Prg. 2002, 5868, JAR 2002, 110


Ontbinding gewichtige redenen (verzoek afgewezen). Schorsing. Voorlopige voorziening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 110.

De werkneemster - 50 jaar, drie jaar in dienst - is in dienst van de werkgever als rayonmanager van de vestiging Eindhoven tegen een salaris van € 3.496,68 inclusief vakantietoeslag. De werkgever heeft de werkneemster tijdens een ziekteperiode van 1 maart 2001 tot 26 juli 2001 uit haar functie ontheven en heeft haar daarna niet meer tot het werk toegelaten. Als redenen hiervoor heeft de werkgever aangegeven dat de werkneemster zich niet kan vinden in de gewijzigde organisatie die na een reorganisatie is ontstaan en dat zij een conflict heeft met haar leidinggevende. De werkneemster zegt juist enthousiast te zijn over de nieuwe organisatie. De problemen met de leidinggevende zouden inmiddels niet meer aan de orde zijn. Zij vordert daarom tewerkstelling in haar functie. De werkgever vraagt ontbinding. Beide zaken worden tegelijk behandeld. De kantonrechter is van oordeel dat de redenen die de werkgever heeft opgegeven voor de ontheffing van de werkneemster uit haar functie geen rechtvaardiging kunnen vormen voor de ontheffing uit de functie. Daarbij merkt de kantonrechter op dat de werkneemster tot maart 2001 goed heeft gefunctioneerd. Daarom had van de werkgever verwacht mogen worden dat hij eventuele kritiek op een ondubbelzinnige en duidelijke manier had geuit. Dit is echter niet geschied. De werkgever heeft onvoldoende aangetoond dat de werkneemster de omslag naar de nieuwe organisatie niet heeft kunnen maken. De leidinggevende met wie een conflict was, vervult inmiddels een andere positie binnen het concern. Eén en ander brengt mee dat de werkneemster haar functie weer moet kunnen uitoefenen. Niet kan worden gezegd dat de werkneemster te lang heeft gewacht met het vorderen van tewerkstelling, nu zij herhaaldelijk aanspraak heeft gemaakt op haar functie. Het ontbindingsverzoek wijst de rechter om dezelfde redenen als genoemd ten aanzien van de voorlopige voorziening af. De kantonrechter acht niet aangetoond dat de arbeidsverhouding zodanig is verstoord dat voortzetting ervan niet mogelijk is.

Terug naar overzicht