Kantonrechter Gorinchem 04-08-2003 (Halk), JAR 2003, 233


Arbeidstijd. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 233.

De werkneemster, 32 jaar oud, is op 1 mei 2002 voor onbepaalde tijd bij de werkgever in dienst getreden als personeelsfunctionaris (salaris € 2.796,85 bruto per maand). Zij heeft op verzoek van de werkgever naar deze functie gesolliciteerd. Het was de werkgever bij aanvang van de dienstbetrekking bekend dat de werkneemster aan de ziekte ME lijdt. Het functioneren van de werkneemster is na haar proeftijd in grote lijnen positief beoordeeld. Per 1 oktober 2002 is de werktijd van de werkneemster uitgebreid van 24 naar 28 uur. Het mutatieformulier personeelsgegevens is door de werkneemster en één van haar ondergeschikten ondertekend in plaats van mede door de directeur. Met ingang van 1 december 2002 heeft de werkneemster als Hoofd P&O gewerkt. Sinds 24 maart 2003 is de werkneemster arbeidsongeschikt. Op 16 mei 2003 had zij een afspraak voor een reïntegratiegesprek. Het gesprek bleek echter de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst als onderwerp te hebben. De werkgever vraagt thans ontbinding vanwege verstoorde verhoudingen, disfunctioneren, en het eenzijdig door de werkneemster uitbreiden van haar werktijd. De kantonrechter stelt vast dat, als de werkgever geen enkel vertrouwen meer heeft in het functioneren van de werkneemster, voorzetting van de dienstbetrekking geen reële optie is. De arbeidsovereenkomst zal daarom worden ontbonden. Het is niet aannemelijk geworden dat de werkneemster disfunctioneerde. Dit blijkt uit geen enkel schriftelijk stuk of verslag. De wijze waarop de werktijd van de werkneemster is uitgebreid, is niet wenselijk. Aan de andere kant wist de werkgever al langer van de uitbreiding, maar heeft hij hierop nimmer gereageerd en heeft de werkneemster de extra uren daadwerkelijk gewerkt. Het gedrag van de werkgever – bespreking van beëindiging van de arbeidsovereenkomst tijdens een gesprek dat is aangekondigd als een reïntegratiegesprek – is bovendien evenzeer onwenselijk. Een en ander brengt mee dat aan de werkneemster geen verwijt valt te maken van de ontbinding. Bij de vaststelling van de vergoeding dient te worden meegewogen dat de werkgever de werkneemster onvoldoende heeft begeleid, dat hij niet heeft gezorgd voor voldoende draagvlak binnen de organisatie en dat hij de werkneemster heeft verzocht haar vorige functie te verlaten. Het zal voor de werkneemster bovendien moeilijk zijn om met haar ziekte een andere baan te vinden. De door de werkneemster gevraagde vergoeding komt neer op een factor C van meer dan 8, hetgeen ongebruikelijk hoog is. Gelet op het gedrag van de werkgever is toekenning van deze vergoeding, van € 24.165,-- bruto, echter gerechtvaardigd.

Terug naar overzicht