Kantonrechter Gouda 05-03-1998, JAR 1999, 2 (Hage)


Bepaalde tijd. Ontbindende voorwaarde. Wederzijds goedvinden. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 2.

Een slager besluit tot het kopen van een slagerij. Omdat zijn echtgenote wordt getroffen door een ernstige ziekte, neemt hij voor zes maanden een filiaalhouder in dienst met de ontbindende voorwaarde dat als de koop niet doorgaat omdat hij de koopsom niet kan voldoen, de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per liquidatiedatum. Als de koopovereenkomst in onderling overleg wordt ontbonden en de werkgever het standpunt inneemt dat daardoor de arbeidsovereenkomst is ontbonden, roept de werknemer de nietigheid van het ontslag in. De kantonrechter overweegt dat op grond van HR 06-03-1992, NJ 1992, 509, een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst slechts mogelijk is, indien de vervulling van de voorwaarde afhankelijk is van een objectieve gebeurtenis en niet van de subjectieve waardering van partijen. Dat wil zeggen dat de ontbinding van de koopovereenkomst niet tot het einde van de arbeidsovereenkomst kan leiden, omdat de overeenkomst tot ontbinding een van de wil van de werkgever afhankelijke gebeurtenis is. Echter als de overeenkomst tot ontbinding niet was gesloten, dan zou deze zijn ontbonden, indien de werkgever de koopprijs niet had kunnen betalen. Alleen indien het financieel onvermogen het gevolg is van objectieve omstandigheden is dat voldoende voor het intreden van de ontbindende voorwaarde. De kantonrechter draagt ter zake de werkgever bewijs op evenals vanuit het subsidiaire verweer dat de werknemer met de beëindiging heeft ingestemd.

Terug naar overzicht