Kantonrechter Gouda 06-02-2003 (Hage), Prg. 2003, 6027


Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling. Ziekte.

Een 50-jarige productiemedewerkster tuinbouw (acht jaar in dienst, salaris € 848,73 bruto per maand op basis van een 20-urige werkweek) wordt met toestemming van de CWI ontslagen wegens bedrijfsbeëindiging. Op basis van het sociaal plan biedt de werkgever een vergoeding aan van € 10.000,-- bruto. De werkneemster wijst de aangeboden vergoeding af en vordert een verklaring voor recht dat het ontslag kennelijk onredelijk is en een schadevergoeding van € 16.537,73 (C=1,5). Volgens de werkneemster, die na de opzegging volledig arbeidsongeschikt is geworden – zij stelt aan RSI te lijden – is de ontslagvergunning verzocht op grond van een voorgewende of valse reden. Bovendien mochten andere werknemers doorwerken tot de datum van de bedrijfsbeëindiging. Daarnaast heeft de werkgever het opzegverbod tijdens ziekte ontdoken en zijn de gevolgen van het ontslag in verhouding tot het belang van de werkgever te ernstig. De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een valse of voorgewende reden nu het bedrijf daadwerkelijk is beëindigd. Met betrekking tot de gevolgen voor de werkneemster overweegt de kantonrechter, dat gezien de RSI haar kansen op werkhervatting niet gunstig zijn. Aannemelijk is dat de RSI-klachten verband houden met de werkzaamheden bij de werkgever. Onder deze omstandigheden is de opzegging kennelijk onredelijk temeer nu een afvloeiingsregeling ontbreekt. De kantonrechter kent een vergoeding toe gebaseerd op de kantonrechtersformule, waarop in mindering wordt gebracht het loon over de duur van de RDA-procedure en de opzegtermijn voor zover langer dan zes weken. De kantonrechter stelt de vergoeding vast op € 10.000,-- bruto.

Verder lezen
Terug naar overzicht