Kantonrechter Gouda 21-09-2000 (Hage), RvdW KG 2000, 217


Uitzendarbeid. Bepaalde tijd. CAO.

Een uitzendkracht verricht op grond van vier achtereenvolgende uitzendovereenkomsten werkzaamheden voor dezelfde werkgever. De eerste twee overeenkomsten (van achtereenvolgens vijf en vier maanden) zijn gesloten met een ander uitzendbureau dan de laatste twee (respectievelijk van één jaar en van vijf maanden). Met betrekking tot deze laatste overeenkomsten is de CAO voor uitzendkrachten van toepassing verklaard en is bepaald dat zij vallen onder de werkingssfeer van art. 7:668a BW (reeks arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd). De werknemer stelt dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan op grond van art. 7:668a jo 7:691 lid 1 BW (overschrijding van de 26-weken termijn) en op grond van de CAO (in de vierde fase na 18 maanden voor dezelfde opdrachtgever te hebben gewerkt). De kantonrechter is van oordeel dat het uitzendbureau als opvolgende werkgever in de eerste uitzendovereenkomst heeft gekozen voor de toepassing van het periodesysteem van art. 7:668a BW. Deze keuze maakt dat geen beroep op de CAO kan worden gedaan, zodat de vordering op die grond moet worden afgewezen. Op grond van art. 7:668a jo 7:691 lid 1 BW is echter ook geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan, omdat het uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever is geweest dat de ketting van tijdelijke arbeidsovereenkomsten pas aanvangt nadat er 26 weken uitzendarbeid is verricht. In dit geval dient de eerste uitzendovereenkomst buiten beschouwing te blijven, als gevolg waarvan niet aan de voorwaarden van art. 7:668a BW wordt voldaan. De kantonrechter wijst de vorderingen af.

Verder lezen
Terug naar overzicht