Kantonrechter Gouda 21-11-2002 (Haasjes), KG 2002, 310


Proeftijd.

Een werkneemster treedt met ingang van 1 juni 2002 in dienst als office manager. In het contract staat dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 12 maanden is aangegaan en dat er een proeftijd geldt van twee maanden en een salaris is overeengekomen van € 2.180,-- bruto per maand. De werkneemster ondertekent het contract niet, stellende dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is overeengekomen tegen een bruto maandsalaris van € 2.500,--. Na overleg op 25 juni 2002 tekent de werkneemster een gewijzigd contract op 30 juni 2002. Tegelijkertijd overhandigt zij de directeur een brief met kritische opmerkingen over de bedrijfsvoering en een gespreksnotitie waarin zij aangeeft dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd met een proeftijd van twee maanden. De werkgever ontslaat de werkneemster vervolgens met onmiddellijke ingang op grond van een verschil van visie inzake de bedrijfsvoering. De werkneemster vordert bij voorlopige voorziening doorbetaling van loon, stellende dat er geen proeftijd is overeengekomen omdat dit schriftelijk dient te gebeuren voorafgaand aan de aanvang van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat wel aan het schriftelijkheidsvereiste ex art. 7:652 lid 2 BW is voldaan, omdat reeds in het begin van de arbeidsovereenkomst een schriftelijk contract is voorgelegd. Daarin was een proeftijd van twee maanden opgenomen. De kritiek van de werkneemster op dit contract gold echter niet voor het proeftijdbeding dat ongewijzigd is overgenomen in de tweede versie. De werkneemster was dus al vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst bekend met de proeftijd. Bovendien heeft zij in haar gespreksnotitie bevestigd dat er een proeftijd van twee maanden was overeengekomen. De werkneemster kan zich onder deze omstandigheden niet in redelijkheid beroepen op het feit dat het proeftijdbeding bijna één maand na aanvang van de arbeidsovereenkomst schriftelijk is vastgelegd, afgezien dat niet kan worden aangenomen dat een dergelijke vastlegging in zijn algemeenheid niet toelaatbaar is. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht