Kantonrechter Groenlo 07-12-1998, Prg. 1999, 5103 (Eijkelestam)


Ziekte (situatieve arbeidsongeschiktheid). Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Voorlopige voorziening. Bereidheid bedongen arbeid.

Een situatief arbeidsongeschikte administratief medewerkster (zes jaar in dienst, salaris NLG 1.400,75 bruto per maand) wordt na één jaar ziekte arbeidsgeschikt verklaard. De arbeidsovereenkomst wordt op verzoek van de werkneemster ontbonden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding met een vergoeding conform de kantonrechtersformule waarbij C=0,5. De werkneemster vordert bij voorlopige voorziening loon over de periode eind- datum ziektewetuitkering en ingangsdatum werkloosheidsuitkering. De kantonrechter wijst de vordering toe. De werkgever is het hier niet mee eens en dient daarop een verklaring ex art. 116 lid 5 Rv in, en betaalt onder protest NLG 2.812,04. De werkneemster vordert vervolgens bekrachtiging van het vonnis in de voorlopige voorzieningsprocedure en de werkgever vordert in reconventie terugbetaling van het loon. De werkgever stelt dat de werkneemster zich niet alleen niet beschikbaar heeft gehouden doch ook niet bereid was het werk te hervatten. De kantonrechter overweegt dat in beginsel geen loon is verschuldigd indien geen arbeid is verricht. Daarbij is niet van belang dat de werknemer hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. De regel geen arbeid geen loon lijdt uitzondering indien de oorzaak van het feit dat de overeengekomen arbeid niet wordt verricht, ligt in de risicosfeer van de werkgever. Volgens de memorie van toelichting blijkt uit de formulering van art. 7:628 lid 1 BW, dat het hier alleen gaat om de risicoverdeling en blijft voor het geldend maken van een aanspraak op loon noodzakelijk dat de werknemer bereid is de beoogde arbeid te verrichten. De stelling van werkneemster dat zij niet bereid was omdat dat niet van haar kon worden verlangd, kan niet worden gevolgd. Pas indien de werkneemster een serieus aanbod zou hebben gedaan en daarbij gesteld zou hebben dat de oorzaak van het niet verrichten van de arbeid zou zijn gelegen bij de werkgever, zou er aanleiding kunnen zijn een beroep op art. 7:628 BW nader te onderzoeken. De kantonrechter wijst derhalve de vordering af. Met betrekking tot de reconventionele vordering overweegt de kantonrechter dat een voorlopige voorziening zijn kracht van vonnis verliest zodra het eindvonnis in de hoofdzaak in kracht van gewijsde gaat. Daarvan is nog geen sprake en dus is de stelling van onverschuldigde betaling ongegrond. De kantonrechter wijst ook deze vordering af.

Terug naar overzicht