Kantonrechter Groningen 09-09-1998, NJ 1999, 391 (Dijkers)


Wederzijds goedvinden (vaststellingsovereenkomst). Onkostenvergoeding (studiekosten).

Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst procederen een werkgever en een werknemer over de eindafrekening. De werknemer vordert onder andere achterstallig loon en de werkgever vordert in reconventie terugbetaling van de opleidingskosten. Bij tussenvonnis acht de kantonrechter deze laatste vordering in beginsel toewijsbaar. Terwijl de werknemer en de werkgever voortprocederen, sluiten zij een overeenkomst ter beëindiging van de geschillen waarin onder andere wordt bepaald, dat zij geen rechten kunnen ontlenen aan het vonnis van de kantonrechter. Als het eindvonnis gunstiger is voor de werknemer dan het zich bij tussenvonnis liet aanzien, beroept de werknemer zich op dwaling (art. 6:228 BW) c.q. onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) c.q. de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:248 BW. De kantonrechter stelt dat het hier gaat om een vaststellingsovereenkomst en overweegt dat geen beroep op dwaling kan worden gedaan terzake van hetgeen waarover wordt getwist, behalve als er een misverstand bestaat ten aanzien van hetgeen partijen als "zeker en onbetwist" aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd. In dit geval stond het eindoordeel van de kantonrechter niet vast en verzet de aard van de overeenkomst zich tegen een beroep op dwaling. Ook het beroep op onvoorziene omstandigheden faalt, omdat de aard van de omstandigheden in dit geval voor rekening van de werknemer komen, die werd verrast door het eindvonnis van de kantonrechter. Het houden aan de gemaakte afspraak is in dit geval allerminst onaanvaardbaar en ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Verder lezen
Terug naar overzicht