Kantonrechter Groningen 20-11-2002 (Dijkers), NJ 2003, 146


Gezagsverhouding.

Een kapitein spreekt met een reder in de kustvaart af, dat hij zal gaan werken als afloskapitein (ter vervanging van een kapitein die met verlof is) met een all in vergoeding van NLG 475,-- bruto per dag. De reder bevestigt schriftelijk de afspraak en de kapitein laat weten dat hij zich vanaf een bepaalde datum beschikbaar stelt, zonder te refereren aan de formele basis van de samenwerking: arbeidsovereenkomst of anderszins. Binnen één maand nadat hij is begonnen wordt de kapitein op non-actief gesteld. De reder betaalt hem als een zelfstandige over de gewerkte periode en de kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst voorzover vereist met een voorwaardelijke vergoeding. Vervolgens vordert de kapitein loon over de periode tot aan de ontbindingsdatum. De werkgever stelt dat er geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst omdat op grond van art. 376 WvK een arbeidsovereenkomst met een kapitein alleen schriftelijk kan worden aangegaan op straffe van nietigheid. De kantonrechter stelt dat in de brief van de reder geen arbeidsovereenkomst is neergelegd, maar slechts een aanbod om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Dit aanbod is door de kapitein aanvaard. Hoewel partijen beoogden een arbeidsovereenkomst aan te gaan kan de vordering van de kapitein niet worden toegewezen omdat op grond van art. 376 WvK de arbeidsovereenkomst op straffe van nietigheid schriftelijk moet zijn aangegaan. Hoewel deze bepaling mede in het belang van de werknemer is opgesteld en hier ten nadele van de kapitein werkt, kan de bepaling niet terzijde worden gesteld, tenzij de wetgever na het uitvaardigen van de regel kenbaar heeft gemaakt dat deze geacht moet worden achterhaald te zijn (HR 03-03-1972, NJ 1972, 339). Dat is hier niet het geval. Bij de invoering van het nieuw Burgerlijk Wetboek is art. 376 WvK opnieuw geformuleerd. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht