Kantonrechter Groningen 30-06-1999, JAR 1999, 220 (Vroom)


Gezagsverhouding. Minimumloon.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 220.

Een coöperatieve vereniging die een serviceflat exploiteert, biedt de bewoners de mogelijkheid om met behulp van een alarmknop gedurende de avond en de nacht en de weekenden eerste hulp in te roepen. Daarvoor heeft de vereniging studenten geworven en met hen een "arbeidsovereenkomst functie huisbewaarder" gesloten. De dienstdoende studenten hebben tijdens de diensten (doordeweeks 15 uur tegen een vergoeding van NLG 75,-- en in het weekend 17 uur tegen een vergoeding van NLG 90,--) de beschikking over een kamer met bed, televisie en radio en zijn vrij om privé-activiteiten te ontplooien. De vergoeding wordt vermeerderd met vakantiegeld, een warme maaltijd en ontbijt. Een aantal studenten maakt op grond van het bestaan van een arbeidsovereenkomst aanspraak op het minimumloon. De werkgever weigert en verzoekt voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomsten voor zover zij bestaan en kent een vergoeding toe. De studenten vorderen vervolgens met terugwerkende kracht betaling van het minimumloon minus hetgeen zij ontvangen hebben, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De kantonrechter is van oordeel dat de overeenkomst niet als een arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt. De benaming als zodanig doet daar niet aan af omdat het gaat om de feitelijke verhouding. De werkzaamheden betroffen slaapdiensten buiten de gebruikelijke arbeidsuren, die niet door "normale" werknemers werden verricht, maar door een pool van studenten. Zij werden niet per uur maar per dienst betaald en konden zich binnen de pool laten vervangen. De groep was volkomen vrij in het regelen van de werkzaamheden en besliste zelf wie, wanneer en hoe vaak dienst deed. Dat men diende te werken volgens het instructieboekje wil niet zeggen dat er sprake was van een gezagsverhouding. Hoewel het zich beschikbaar houden als arbeid kan worden beschouwd, waren de studenten in dit geval vrij te doen waar zij zin in hadden. In feite werkten zij gedurende de diensten minder dan één uur. De werkzaamheden bestonden bovendien uit niets anders dan het bewaken en beantwoorden van alarmoproepen en het openen en sluiten van de ramen. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van deze feiten geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en wijst de vorderingen af.

Terug naar overzicht