Kantonrechter Haarlem 05-04-2000 (Stolp), JAR 2000, 126


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Competentie.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 126.

Een stichting verzoekt een ontslagvergunning voor een 50-jarige werkneemster, 18 jaar in dienst op parttime basis als arts, salaris NLG 6.915,68 bruto per maand, omdat zij meer dan twee jaar ziek is. De werkneemster verzoekt daarop ontbinding van de arbeidsovereenkomst, stellende dat zij ernstig overspannen is geworden als gevolg van het feit dat haar functie is komen te vervallen op grond van reorganisatie. De werkneemster verzoekt een vergoeding van NLG 171.785,-- bruto. De werkgever stelt dat de kantonrechter niet bevoegd is omdat in de arbeidsovereenkomst is bepaald dat geschillen overeenkomstig de CAO worden voorgelegd aan het Scheidsgerecht Gezondheidszorg. De werkneemster acht deze bepaling nietig omdat de bevoegdheid van de kantonrechter ex art. 7:685 BW niet kan worden uitgesloten. Onder verwijzing naar de Hoge Raad (NJ 1974, 92 en NJ 1986, 275) stelt de kantonrechter dat art. 7:685 BW niet dwingend voorschrijft dat alleen de kantonrechter de arbeidsovereenkomst mag ontbinden en dat ontbinding via arbitrage kan. Het arrest van de Hoge Raad 20-03-1998 (Grady/STOGON, RvdW 1998, 72, JAR 1998, 127, NJ 1998, 815, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1998, blz. 64) kan de werknemer niet baten omdat het daar niet gaat om de vraag door wie de arbeidsovereenkomst mag worden ontbonden maar om de vraag of de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden voordat een aantal contractueel vastgelegde procedurele stappen is gevolgd. Het feit dat de werkgever een ontslagvergunning heeft aangevraagd is niet relevant omdat het bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot ontbinding uitsluitend gaat om de vraag of het arbitraal beding in strijd is met art. 7:685 BW. De kantonrechter verklaart de werkneemster niet-ontvankelijk.

Terug naar overzicht