Kantonrechter Haarlem 10-06-1998 (Mellema), Rechtbank Haarlem 01-08-2000, NJkort 2000, 93, Prg. 2000, 5577


Bedrijfsongeval. Smartengeld.

Een werknemer overkomt een bedrijfsongeval ten gevolge waarvan hij in coma geraakt en tenslotte overlijdt. De erfgenamen achten de werkgever hiervoor aansprakelijk en vorderen schadevergoeding waaronder smartengeld. De kantonrechter is van oordeel dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest de vordering van erfgenamen ter vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade toe te wijzen. Volgens de kantonrechter gaat de parlementaire geschiedenis ervan uit dat de gelaedeerde zich bewust moet zijn van het nadeel dat hem is overkomen om voor smartengeld in aanmerking te komen. Omdat de werknemer steeds in coma heeft gelegen, stuit de vordering van de erfgenamen af op het bewustzijnsvereiste. De rechtbank is met de kantonrechter van oordeel dat bij vordering van smartengeld terughoudendheid past. Aangezien de werknemer niet voortdurend volledig in coma was, maar ook gedurende ongeveer anderhalve maand voor zijn overlijden besef moet hebben gehad van hetgeen hem is overkomen, gaat de rechtbank ervan uit dat de werknemer hiervan leed heeft ondervonden waarvoor een vergoeding van NLG 5.000,-- billijk is. De vraag is of de erfgenamen ook over de periode waarin de werknemer onvoldoende besef had van hetgeen hem was overkomen, aanspraak hebben op smartengeld. Gelet op art. 6:106 BW is de rechtbank van oordeel dat het recht op smartengeld in beginsel een aanspraak is van de benadeelde die alleen ontstaat indien de benadeelde zelf leed heeft ondergaan of in zijn rechtsgevoel is geschokt. Dit recht is vatbaar voor overgang onder algemene titel. Gezien de comateuze toestand van de werknemer is er in de eerste maanden na het ongeval geen sprake geweest van gederfde levensvreugde of een geschokt rechtsgevoel. Smartengeld over deze periode dient dan ook te worden afgewezen (cassatieberoep ingesteld).

Terug naar overzicht