Kantonrechter Haarlem 11-10-2000, 14-03-2001 (Harts), Prg. 2001, 5674, JAR 2001, 88


Bedrijfsongeval (beroepsziekte: RSI). Kennelijk onredelijk ontslag. Bewijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 88.

De werkneemster is na zes jaar als doktersassistente in het ziekenhuis van de werkgever te hebben gewerkt volledig arbeidsongeschikt geworden wegens RSI-klachten. De werkgever heeft met toestemming van de RDA het dienstverband opgezegd. De werkneemster stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is omdat haar daarbij geen enkele vergoeding is geboden, terwijl haar arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door de werkzaamheden. Tevens stelt zij dat de werkgever aansprakelijk is uit hoofde van art. 7:658 BW, omdat de werkgever nalatig is geweest bij de inrichting van de werkplek. De werkneemster stelt dat zij veel echo's moest maken en dat zij als gevolg van de fysieke belasting die het werken met het echo-apparaat met zich bracht ziek is geworden. Zij wijst op de in 1994 opgestelde risico-inventarisatie waaruit blijkt dat het werken met het echo-apparaat schade kan toebrengen aan de gezondheid. De werkgever zou de aanbevelingen uit de risico-inventarisatie onvoldoende hebben uitgevoerd. Ten aanzien van de vordering uit kennelijk onredelijk ontslag overweegt de kantonrechter dat voldoende vast is komen te staan dat de gezondheidsklachten van de werkneemster door het werk zijn ontstaan. Door de arbeidsongeschiktheid is het dienstverband beëindigd en lijdt de werkneemster schade aangezien de WAO-uitkering lager is dan haar vroegere inkomen. De werkgever dient daarom aan de werkneemster een schadevergoeding van NLG 30.000,-- te betalen. Ten aanzien van de vordering ex art. 7:658 BW stelt de kantonrechter vast, aan de hand van een rapport van het RSI instituut Nederland, dat bij het ontstaan van de klachten van de werkneemster doorslaggevend is geweest dat de werkneemster een vrij geringe lichaamslengte heeft, doch dat de werkomstandigheden daaraan niet zijn aangepast. Bezien in het licht van de stellingen van de werkneemster en het rapport van het RSI instituut heeft de werkgever niet weten aan te tonen dat hij voldoende maatregelen heeft genomen om de klachten zoals die van de werkneemster te voorkomen. De werkgever krijgt evenwel nog de gelegenheid om tegen dit oordeel tegenbewijs te leveren. Voor zover hij niet in dit bewijs zal slagen, zal bij de vaststelling van de omvang van de aansprakelijkheid rekening moeten worden gehouden met het feit dat de werkneemster zelf nalatig is geweest door de werkgever niet te wijzen op de door haar ondervonden klachten

Terug naar overzicht