Kantonrechter Haarlem 27-11-2002 (Baas), JAR 2003, 4


Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 4.

Bij beschikking van 5 september 2002 heeft de kantonrechter een verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer – drie jaar in dienst als schilder, 38 jaar oud, salaris € 2.449,93 per maand exclusief vakantietoeslag – afgewezen. De werknemer heeft na een schorsing op 7 juni 2002 niet meer gewerkt. De werkgever verzoekt in september 2002 nogmaals ontbinding. Daartoe stelt hij dat na afwijzing van het vorige ontbindingsverzoek getracht is de arbeidsrelatie te herstellen. In de werkmeestersvergadering van 12 september 2002 is de uitspraak besproken. De werkmeesters hebben toen allen geweigerd om weer met de werknemer te gaan werken. De werkmeester waaronder de werknemer in het verleden werkzaam was, heeft zelfs aangegeven zelf ontslag te zullen nemen als de werknemer terug in zijn ploeg zou komen. De werkgever acht terugkeer van de werknemer daarom niet mogelijk. De kantonrechter stelt vast dat het tweede ontbindingsverzoek op een andere grondslag berust dan het eerste. In het eerste verzoek werd ontbinding verzocht vanwege door de werknemer gedane uitlatingen over de leiding van de werkgever. Thans gaat het over de gevolgen van afwijzing van het eerste verzoek en in het bijzonder om de onwil van de werkmeesters om de werknemer weer in hun ploeg op te nemen. Van misbruik van procesrecht door de werkgever is gelet hierop geen sprake. De werknemer ontkent de stellingen van de werkgever niet, zodat vaststaat dat de werkmeesters niet meer met hem willen werken. De kantonrechter acht dit ook niet onbegrijpelijk, gelet op de eerdergenoemde uitlatingen door de werknemer, waaruit een duidelijke afkeer, wantrouwen, minachting en zelfs haat spreekt voor het management van de werkgever. Ontbinding is daarom onontkoombaar. De werknemer heeft, ook nadat de kantonrechter dit nog uitdrukkelijk had gevraagd, niet om toekenning van een vergoeding verzocht. De kantonrechter ziet geen reden om daar ambtshalve toe over te gaan, nu de ontbinding in de eerste plaats het gevolg is van omstandigheden die aan de werknemer zijn te wijten.

Terug naar overzicht