Kantonrechter Heerlen 06-06-2001 (Groen), JAR 2001, 135


Proeftijd.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 135.

Tussen partijen is een arbeidsovereenkomst gesloten krachtens welke de werkneemster per 12 februari 2000 bij de werkgever in dienst is getreden tot aan 13 juni 2000. De arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd op 11 maart 2000. De arbeidsovereenkomst bevat een proeftijdbeding van een maand. Op 11 maart heeft de werkgever de werkneemster met onmiddellijke ingang ontslagen zonder hiervoor een dringende reden aan te voeren. De werkneemster stelt dat deze opzegging onregelmatig is omdat er geen dringende reden was, geen rechtsgeldige proeftijd is overeengekomen en de arbeidsovereenkomst ook niet tussentijds kon worden opgezegd. De werkgever stelt dat wel een geldige proeftijd is afgesproken. De kantonrechter overweegt dat enkel aan het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:652 BW is voldaan indien een proeftijdbeding bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst schriftelijk is overeengekomen. Immers het beding gaat in op het moment dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst een aanvang neemt. Wil er op dat moment sprake zijn van een geldige proeftijd, dan moet het proeftijdbeding reeds schriftelijk zijn overeengekomen. Een andere uitleg zou ook in strijd zijn met de rechtszekerheid omdat het dan voor partijen niet duidelijk zou zijn of een opzegging met onmiddellijke ingang mogelijk is. Een en ander brengt mee dat het proeftijdbeding in onderhavige zaak niet rechtsgeldig is overeengekomen en dat het ontslag op 11 maart 2000 derhalve evenmin geldig is. Nu voor dit ontslag ook geen dringende reden was en tussentijdse opzegging niet was bedongen, is de werkgever aan de werkneemster de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd tot aan 13 juni 2000 alsmede een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen etc

Terug naar overzicht