Kantonrechter Heerlen 14-03-2003 (Groen), JAR 2003, 96


Ongewenste intimiteiten. Ontbinding gewichtige redenen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 96.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer, in dienst sinds 1981, laatstelijk als hoofd personeelszaken. De werknemer beheert een verzorgingstehuis voor oudere religieuze zusters. Aan de werkgever is een stichting "Kloosterbejaardenoorden" verbonden. Beide organisaties zijn volledig met elkaar geïntegreerd. Tussen de werknemer en de directiesecretaresse van de stichting is een relatie ontstaan, die aanleiding is geweest om ieders huwelijk te beëindigen. Beide werknemers zijn ook gaan samenwonen. De (ex-)man van de secretaresse, die ook werkzaam is bij de stichting, is door de situatie arbeidsongeschikt geworden. De werkgevers zijn tot de conclusie gekomen dat sprake is van een onaanvaardbare situatie. Mede gelet op de levensbeschouwelijke opvattingen van de bewoners van het tehuis en van de andere medewerkers is het naar hun mening niet mogelijk dat het hoofd personeelszaken en de directiesecretaresse bij hen in dienst blijven. Daarnaast zou sprake zijn van een verstoorde arbeidsrelatie. De werkgever verzoekt daarom ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat het aangaan van een affectieve relatie een fundamentele burgerlijke vrijheid van ieder individu is, tenzij de wet deze vrijheid inperkt, zoals in titel XIV boek 2 van het Wetboek van Strafrecht. Dit laatste is hier niet het geval. De kantonrechter dient zich daarom te onthouden van een oordeel over de relatie die de werknemer met zijn collega is aangegaan. Ook mag de kantonrechter geen oordeel geven over het standpunt van de werkgever dat de relatie niet binnen de katholieke signatuur van zijn instelling past. Een dergelijke beoordeling zou plaatsvinden op levensbeschouwelijke en niet op wettelijke gronden, en valt daarmee buiten de bevoegdheid van de kantonrechter. Indien tussen partijen spanningen zijn ontstaan, is dit naar het oordeel van de kantonrechter met name aan de werkgever te wijten. Deze heeft het standpunt ingenomen dat de relatie tot ontslag moet leiden. Vervolgens heeft hij negen maanden gewacht met het indienen van het verzoekschrift. Al die tijd is door beide werknemers gewoon gewerkt. Daarom is het niet geloofwaardig dat de relatie tussen partijen zodanig verstoord is dat ontbinding noodzakelijk is. Het verzoek dient daarom te worden afgewezen.

Terug naar overzicht