Kantonrechter Helmond 02-06-2003 (Van Otterdijk), KG 2003, 181, JAR 2003, 152


Onkostenvergoeding. Wijziging arbeidsvoorwaarden.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 152.

De werknemer is op 1 februari 1988 bij de werkgever in dienst getreden. Onderdeel van de arbeidsovereenkomst is dat de werkgever maandelijks pensioenpremie en een onkostenvergoeding betaalt. Op 16 oktober 2002 heeft de werkgever laten weten dat hij niet langer de onkostenvergoeding betaalt en dat de pensioenpremie in het vervolg voor rekening van de werknemer komt. De reden hiervoor is, aldus de werkgever, geleden bedrijfseconomische verliezen en de daaruit voortvloeiende noodzaak tot het nemen van bezuinigingsmaatregelen. De werknemer verzet zich tegen de eenzijdige wijziging en vordert doorbetaling van zijn onkostenvergoeding en pensioenpremie. De kantonrechter is van oordeel dat, hoewel de onwil van de werknemer om bij te dragen in het herstel van de onderneming niet tot harmonisatie van de arbeidsverhoudingen zal leiden, de werknemer het gelijk aan zijn zijde heeft. De onkostenvergoeding betreft, naar de werknemer heeft aangevoerd, verkapt loon dat hij in de huidige vorm al vijf jaren ontvangt. Het belang dat de werknemer heeft bij de overeengekomen betaling van de pensioenpremie is evident. In beide gevallen geldt dat het gegeven dat de werkgever de betreffende bedragen niet meer wenst te betalen tot inkomensverlies bij de werknemer leidt. Partijen hebben overleg gevoerd, doch zonder resultaat. Dat betekent dat het belang van de werkgever dient te wijken voor dat van de werknemer. De werkgever mag niet eenzijdig de arbeidsvoorwaarden wijzigen, althans niet op de wijze waarop dat in casu is geschied. Wellicht zijn er feiten of omstandigheden die, mits deze worden bewezen, de conclusie rechtvaardigen dat op grond van gewijzigde omstandigheden gezegd kan worden dat de werknemer de wijzigingsvoorstellen in alle redelijkheid niet mag afwijzen, maar dat dient in een bodemprocedure bezien te worden. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer tot betaling van genoemde bedragen niet toe tot het einde van de dienstbetrekking. Tot dergelijke veroordelingen kan in het kader van een kort geding niet worden overgegaan, zeker niet indien niet vaststaat wanneer dat einde er zal zijn. De meest gerede partij zal zijn heil in een bodemprocedure dienen te zoeken.

Verder lezen
Terug naar overzicht