Kantonrechter Hilversum 15-03-1999, JAR 1999, 91 (Ulrici)


Bepaalde tijd. Afroepovereenkomst. Goed werkgeverscha.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 91.

Een ziekenverzorgster met een oproepovereenkomst voor een jaar wijst het aanbod van een vast dienstverband voor 15 uur per maand af. De werkgever laat de werkneemster schriftelijk weten dat in verband met de inwerkingtreding van de Wet Flexibiliteit en zekerheid de oproepovereenkomst komt te vervallen en dat een overeenkomst tot incidentele arbeid gaat gelden. Tevens laat de werkgever de werkneemster weten dat zij niet meer zal worden opgeroepen omdat er geen incidenteel werk meer is. De werkneemster vordert bij voorlopige voorziening een veroordeling tot het oproepen voor werkzaamheden voor 55,67 uur per maand en doorbetaling van loon tot einde dienstverband, stellende dat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is voortgezet en zij gelet op art 7:610b BW recht heeft op werk naar het gemiddelde aantal uren van de voorafgaande drie maanden. De werkgever erkent dat de werkneemster na afloop van het dienstverband voor een jaar voor 271/2 uur is opgeroepen, doch stelt geen formatieplaats te hebben voor een 55,67 uur per maand. De kantonrechter stelt dat, nu de oproepovereenkomst stilzwijgend is voortgezet, deze volgens de CAO is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werkneemster heeft gedurende het jaar gemiddeld 44 uur per maand gewerkt. De werkgever is op grond van goed werkgeverschap gehouden al het beschikbare werk naar evenredigheid over alle werknemers te verdelen, tenzij dit in redelijkheid niet gevergd kan worden. Hiervan is geen sprake. De werkgever heeft onvoldoende gemotiveerd dat voor de werkneemster geen uren meer beschikbaar zijn. Het feit dat een aantal oproepkrachten een vast aantal uren is aangeboden, vrijwaart de werkgever niet van al zijn verplichtingen ten opzichte van de werkneemster. De werkgever dient de werkneemster dan ook op te roepen voor 44 uur per maand op grond van art 7:611 BW en niet, zoals de werkneemster stelt op grond van art 7:610b BW, op grond waarvan de drie voorafgaande maanden gelden als referte-periode. De kantonrechter veroordeelt de werkgever om werkneemster voor 44 uur per maand op te roepen en tot doorbetaling van loon, vermeerderd met de wettelijke rente.

Verder lezen
Terug naar overzicht