Kantonrechter Hilversum 19-12-2001 (Van Hees), JAR 2002, 38


Directeur. Ontslag op staande voet.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 38.

De werknemer is met ingang van 15 maart 1998 als Managing Director in dienst getreden van twee vennootschappen (verder "de werkgever"). Deze vennootschappen zijn 100% dochters van Petroplus International BV. De werknemer heeft op 22 en 25 november en 23 december 1999 aandelen Petroplus International gekocht. In de tweede helft van 1999 was Petroplus met Shell in onderhandeling over een mogelijke overname van een raffinaderij in Zwitserland. In de nacht van 22 op 23 december 1999 heeft Petroplus deze overname publiekelijk bekend gemaakt. De werknemer was nauw betrokken bij de overname. Op 13 januari 2000 heeft de werkgever werknemer op staande voet ontslagen op grond van het feit dat hij in november en december 1999 in aandelen Petroplus International heeft gehandeld en dit in strijd met de voor hem geldende meldingsplicht niet heeft gemeld alsmede omdat hij het vermoeden heeft dat de werknemer zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van voorwetenschap. De STE heeft de zaak van de werknemer in handen van de officier van justitie gesteld. Die is echter niet tot vervolging overgegaan. De werknemer stelt dat het ontslag op staande voet nietig is. Hij wijst daartoe onder andere op het feit dat zijn mededirecteur ook in aandelen Petroplus International heeft gehandeld in de bewuste periode, maar niet is ontslagen. De kantonrechter stelt vast dat de werkgever welbewust de interne meldingsplicht een aantal keren niet in acht heeft genomen. Terecht stelt de werkgever dat hij als gevolg hiervan het vertrouwen in de werknemer heeft verloren. Dit geldt temeer, nu de werknemer nauw betrokken was bij de overname van de raffinaderij. Eén en ander ligt anders ten aanzien van de collega-directeur die in november 1999 aandelen Petroplus heeft verkocht in plaats van gekocht. Dit is atypisch gedrag voor een insider, zodat in dat geval geen aangifte door de STE te vrezen was. Het feit dat de officier van justitie geen strafrechtelijk onderzoek heeft ingesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Van de werkgever kon niet worden gevergd dat hij de werknemer in dienst zou houden hangende de beslissing van de officier van justitie, aangezien algemeen bekend is dat met een dergelijke beslissing en een eventuele strafzaak veel tijd gemoeid kan zijn. Het feit dat de STE de werknemer beschuldigde, was in dit geval voldoende zwaarwegend. Eén en ander brengt mee dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

Terug naar overzicht