Kantonrechter Hoorn 14-10-2002 (Van de Sande), JAR 2002, 263


Concurrentiebeding. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling (C=2).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 263.

De werknemer (23 jaar in dienst, salaris NLG 175.854,-- bruto per jaar) is bij de werkgever in dienst geweest als Personnel Officer and Manager Purchase non-seeds. De arbeidsovereenkomst bevatte een concurrentiebeding waarin onder meer was vermeld dat, indien de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever beëindigd zou worden en de werkgever de werknemer niet binnen een maand na de beëindiging uit het beding zou ontheffen, de werknemer, als tegenprestatie voor het gedurende een jaar naleven van het concurrentiebeding, aanspraak zou kunnen maken op een jaarsalaris als vergoeding. De arbeidsovereenkomst is per 1 november 2001 door de kantonrechter ontbonden met toekenning aan de werknemer van een vergoeding van NLG 888.000,-- bruto. De werknemer heeft vervolgens aanspraak gemaakt op de vergoeding uit hoofde van het concurrentiebeding. De werkgever heeft laten weten de werknemer met terugwerkende kracht uit het beding te ontheffen. De werknemer vordert betaling van de vergoeding. De werkgever voert onder meer aan dat het concurrentiebeding is komen te vervallen omdat sprake is van een schadeplichtig ontslag. De kantonrechter honoreert dit verweer en stelt vast dat de ontbindingsrechter correctiefactor 2 heeft toegepast omdat de werkgever niet als een goed werkgever heeft gehandeld jegens de werknemer. Naar de mening van de kantonrechter zijn er, gelet op de motivering van de ontbindingsbeschikking en de hoogte van de vergoeding, voldoende aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat naar analogie van art. 7:653 lid 3 BW moet worden aangenomen dat het concurrentiebeding vervalt. Dat betekent dat geen van beide partijen nog rechten aan het beding kunnen ontlenen. De vordering van de werknemer moet daarom worden afgewezen.

Terug naar overzicht