Kantonrechter Leeuwarden 09-09-2003 (Van der Meer), NJ 2003, 686, JAR 2003, 216


Gezagsverhouding. Schorsing.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 216.

In maart 2003 is gedaagde namens de LPF verkozen als lid van de Provinciale Staten van de provincie Fryslân. Gedaagde heeft vervolgens aan de werknemer de functie van fractiemedewerker van de LPF aangeboden. In dat verband hebben gedaagde, in zijn hoedanigheid van beoogd voorzitter van de Stichting Fractieondersteuning LPF Provincie Fryslân (hierna stichting LPF) in oprichting, en de werknemer op 22 mei 2003 een intentieverklaring getekend inhoudende dat de werknemer zijn werkzaamheden reeds was aangevangen, maar voorlopig op voorschotbasis zou worden beloond omdat er nog onzekerheden waren met betrekking tot de exacte hoogte van het salaris. Op 20 juli 2003 heeft gedaagde bekend gemaakt dat hij zijn lidmaatschap van de LPF zou opzeggen en als eenmansfractie in de Provinciale Staten zou doorgaan, te weten als Onafhankelijke Friese Statenfractie (OFS). De werknemer heeft zijn lidmaatschap van de LPF echter niet willen beëindigen, reden waarom gedaagde de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd tegen 22 augustus 2003. De werknemer heeft de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen en heeft doorbetaling van loon en wedertewerkstelling gevorderd. De kantonrechter stelt allereerst vast dat de stichting LPF nooit is opgericht, maar wel de Stichting Onafhankelijke Friese Statenfractie (stichting OFS). Deze tweede stichting heeft alle rechtshandelingen bekrachtigd die door de eerste stichting verricht waren. De stichting OFS heeft dit naar het oordeel van de kantonrechter echter niet rechtsgeldig kunnen doen omdat de stichting OFS niet kan worden beschouwd als een voortzetting van de stichting LPF. De stichting OFS ondersteunt immers een andere politieke partij. Dat betekent dat, nu gedaagde hoofdelijk aansprakelijk is voor door hem namens de stichting LPF verrichte rechtshandelingen, waaronder de nakoming van de intentieverklaring – die naar het oordeel van de kantonrechter als een voorlopige arbeidsovereenkomst moet worden beschouwd – de werknemer hem op nakoming kan aanspreken. De kantonrechter stelt vervolgens vast dat geen toestemming is verkregen van het CWI voor het ontslag en dat het ontslag daarom niet rechtsgeldig is. Gedaagde dient het loon door te betalen. De hoogte daarvan moet worden vastgesteld op € 3.216,67 bruto per maand, nu partijen waren overeengekomen dat de werknemer zou worden ingedeeld in functieschaal 11 van de provinciale overheid en genoemd bedrag daarmee correspondeert. Nu partijen ter zitting hebben aangegeven dat er tussen hen geen politiek-ideologische verschillen van inzicht bestaan, de functie van fractiemedewerker niet meebrengt dat de werknemer politieke standpunten naar buiten zou moeten brengen en het ontstaan van de huidige situatie aan gedaagde is toe te rekenen, is ook de vordering tot wedertewerkstelling toewijsbaar.

Verder lezen
Terug naar overzicht