Kantonrechter Leeuwarden 11-04-2003 (Van der Meer), JAR 2003, 118


Gezagsverhouding. Ontslag op staande voet. RDA-/CWI-vergunning. Voorlopige voorziening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 118.

De werknemer is met ingang van 1 december 1990 bij de rechtsvoorganger van de "werkgever" in dienst getreden. Per 1 januari 1998 is de overeenkomst omgezet in een dienstverband in het kader van de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW). Op 8 augustus 2002 heeft de "werkgever" de werknemer op staande voet ontslagen wegens verdenking van diefstal. De werknemer heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen. De kantonrechter stelt vast dat de gemeente op grond van art. 4 WIW aan langdurig werklozen een dienstbetrekking kan aanbieden als bedoeld in art. 7:610 BW. In art. 4 lid 1 WIW is bepaald dat de bepalingen van titel 10 van boek 7 BW op een dergelijke dienstbetrekking van toepassing zijn. De gemeente kan op grond van art. 8 WIW een rechtspersoon aanwijzen voor de uitvoering van taken in verband met de dienstbetrekking. In onderhavig geval is dit gebeurd. De door de gemeente aangewezen rechtspersoon kan namens de gemeente een arbeidsovereenkomst aangaan en kan verder ook namens de gemeente handelen bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De gemeente blijft echter formeel de werkgever. De gemeente is een publiekrechtelijk lichaam. Het BBA is dan ook niet van toepassing op de WIW-dienstbetrekking, nu van de werking van dat besluit de arbeidsverhouding van de werknemer bij een publiekrechtelijk lichaam is uitgezonderd. Dit betekent dat de "werkgever" niet de toestemming van de CWI behoefde voor de beëindiging van de dienstbetrekking. Deze is daarom op 8 augustus 2002 geëindigd. De werknemer heeft geen vordering tot toekenning van schadevergoeding wegens onregelmatig ontslag ingesteld tegen de "werkgever" en/of de gemeente. Wel heeft de werknemer herstel van de dienstbetrekking gevorderd. Een dergelijke vordering kan echter niet in kort geding worden toegewezen.

Verder lezen
Terug naar overzicht