Kantonrechter Leiden 28-07-1999 (Van der Scheer), Prg. 2001, 5621


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Overgang onderneming.

De enige werknemer van een afdeling (41 jaar, 13 jaar in dienst, salaris NLG 8.943,-- bruto per maand) wenst na overgang van deze afdeling niet mee over te gaan naar de nieuwe werkgever omdat deze niet ingaat op zijn eis van 10% loonsverhoging. Voordat de overgang plaatsvindt, verzoekt de werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst met beide werkgevers met een vergoeding van NLG 160.975,--. De oude werkgever stelt dat er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat omdat de werknemer als gevolg van overgang van de onderneming in dienst is bij de nieuwe werkgever. De nieuwe werkgever stelt dat de werknemer niet bij hem in dienst is maar bij de dochteronderneming. Omdat de werknemer echter te kennen heeft gegeven niet in dienst te willen treden, is er geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van overgang van onderneming en dat de arbeidsovereenkomst met de oude werkgever is geëindigd per datum van overgang. Op grond van de jurisprudentie van het HvJ EG (zie HvJ EG 05-05-1988, NJ 1988, 907, HvJ EG 16-12-1992, JAR 1993, 64, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1993, blz. 257 en HvJ EG 07-03-1996, JAR 1996, 169, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1996, blz. 233) wil weigerachtigheid van de werknemer om de arbeidsovereenkomst voort te zetten bij de nieuwe werkgever niet zeggen dat de arbeidsovereenkomst met de oude werkgever is blijven bestaan. Hoewel het verzoek voor de overgang is ingediend, heeft de behandeling nadien plaatsgevonden en ontbinding met terugwerkende kracht is niet mogelijk. De werknemer is dus niet-ontvankelijk in zijn verzoek jegens de oude werkgever. Met betrekking tot de vraag of er een arbeidsovereenkomst met de nieuwe werkgever is ontstaan overweegt de kantonrechter onder verwijzing naar art. 7:665 BW (ontbinding van de arbeidsovereenkomst als gevolg van wijziging van omstandigheden) dat de werknemer niet kan worden gedwongen de arbeidsovereenkomst voort te zetten met de nieuwe werkgever. Aangezien de werknemer drie keer overleg met de nieuwe werkgever heeft gevoerd en heeft aangegeven niet bij hem in dienst te willen treden en niet gebleken is van een verslechtering van zijn positie die 10% loonsverhoging zou rechtvaardigen, is de kantonrechter van oordeel dat de werknemer ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van de bescherming van art. 7:663 BW. De kantonrechter acht de werknemer derhalve ook niet-ontvankelijk in zijn verzoek jegens de nieuwe werkgever

Terug naar overzicht