Kantonrechter Lelystad 04-10-2000 (Los), JAR 2000, 256


Concurrentiebeding. Boete(beding).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 256.

De arbeidsovereenkomst van een half jaar van een werknemer (salaris NLG 2.500,-- bruto per maand) eindigt van rechtswege. Nadat de werknemer voor zichzelf is begonnen met een bedrijf dat zich eveneens richt op het "herstellen, onderhouden en leveren van hydraulische slangen", beroept de ex-werkgever zich op het concurrentiebeding respectievelijk boetebeding (NLG 5.000,-- per dag bij overtreding van het concurrentiebeding). De president verbiedt in kort geding contact te hebben met en het sluiten van overeenkomsten met klanten van de ex-werkgever binnen het rayon waar deze werkzaam is, op verbeurte van een dwangsom van NLG 1.000,-- per dag. De werkgever vordert vervolgens NLG 705.000,-- boete omdat de werknemer 141 dagen het concurrentiebeding heeft overtreden. De werknemer vordert in reconventie vernietiging van het concurrentiebeding respectievelijk wijziging in een relatiebeding voor de duur van drie maanden. De kantonrechter overweegt met betrekking tot de geldigheid van het boetebeding dat tot de invoering van titel 7:10 BW op 1 april 1997, de boete was vastgelegd in art. 1637u en 1637v BW. Deze boete werd opgelegd bij wijze van disciplinaire maatregel en was niet verbonden aan het concurrentiebeding. Ook uit de wetsgeschiedenis van titel 7.10 BW blijkt niet dat met invoering van art. 7:650 en 7:651 BW een wijziging is beoogd. Daar komt bij dat de aard van de boete als disciplinaire maatregel niet dezelfde is als de aard van de boete wegens overtreding van het concurrentiebeding. Deze laatste is bedoeld als schadevergoeding. De regels van art. 7:650 respectievelijk 7:651 BW (vermelding bestemming boeten en het niet ten goede komen van de werkgever) zijn daarop niet toegesneden. Het boetebeding is derhalve geldig. Met betrekking tot de vraag of het concurrentiebeding moet worden vernietigd, overweegt de kantonrechter dat de werkgever een zwaarwegend belang heeft nu hij bezig is een klantenkring op te bouwen en de werknemer in direct contact stond met deze klanten. Verdere beperking van het concurrentiebeding is niet gerechtvaardigd nu de werknemer er zelf voor heeft gekozen om de werkgever te gaan beconcurreren. Met betrekking tot de matiging stelt de kantonrechter vast dat de boete in verhouding tot de schade van de werkgever (ongeveer NLG 26.000,--) zeer hoog is. De kantonrechter matigt de boete tot NLG 250,-- per dag en veroordeelt de ex-werknemer tot betaling van NLG 35.250,--.

Terug naar overzicht