Kantonrechter Lelystad 04-11-1998 en, 27-01-1999, Prg. 1999, 5125 (Los)


Loon. Vakantie (toeslag). Bewijs.

Een werknemer met een arbeidsovereenkomst voor een jaar, salaris NLG 2.764,07 bruto per maand (= NLG 2.033,01 netto) wordt acht maanden na aanvang dienstverband ziek. De werkgever betaalt gedurende vier maanden NLG 2.000,--, stellende dat dit met de werknemer is overeengekomen. Daarnaast is overeengekomen dat de werknemer geen recht meer heeft op vakantiegeld en dat de nog openstaande dagen zullen worden doorgehaald. De werknemer vordert na afloop van zijn contract betaling van achterstallig loon, vakantiebijslag en vakantiedagen vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De kantonrechter draagt de werkgever op te bewijzen hetgeen met betrekking tot het loon en de opgebouwde vakantie is overeengekomen, voor het geval de werkgever het belang van voortprocederen laat opwegen tegen de daaraan verbonden kosten. De werknemer heeft in ieder geval aanspraak op de vanaf datum ziekte opgebouwde vakantiedagen op grond van art. 7:635 lid 3 BW en vakantietoeslag omdat een afwijkende afspraak nietig is (art. 15 jo 19 WMM). Op grond van de getuigenverklaringen acht de kantonrechter de werkgever echter niet geslaagd in het bewijs. De vordering met betrekking tot het loon, de vergoeding niet-genoten vakantiedagen en de vakantietoeslag is derhalve toewijsbaar inclusief de wettelijke verhoging en de wettelijke rente.

Verder lezen
Terug naar overzicht