Kantonrechter Lelystad 18-06-2003 (Van Wegen), JAR 2003, 174


Anciënniteitsbeginsel. Faillissement. Ontbinding gewichtige redenen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 174.

De werknemer is vanaf 1 oktober 1991 als medewerker papierontwikkeling werkzaam geweest bij Capi Color B.V. Op 1 januari 1998 is dit bedrijf overgenomen door Fifo Vaklab B.V. Per 1 februari 1998 is de arbeidsovereenkomst van de werknemer met toestemming van de RDA wegens bedrijfseconomische redenen beëindigd. Op 14 juli 1998 is de werknemer weer bij Fifo Vaklab in dienst getreden. Op 24 oktober 2001 is Fifo Vaklab in staat van faillissement verklaard. Op 23 oktober 2001 is Fifo Color (verzoekster in deze procedure) opgericht. Op 26 oktober 2001 is de werknemer bij Fifo Color in dienst getreden. Fifo Color verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen. De werknemer stelt dat deze redenen onvoldoende zijn onderbouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter is in een geval als het onderhavige, waarin niet alleen ten aanzien van de werknemer maar eveneens voor zes andere personeelsleden ontbinding is gevraagd, in beginsel de CWI de aangewezen instantie om te beoordelen of ontslag noodzakelijk is. Niettemin zal de kantonrechter het ontbindingsverzoek behandelen, waarbij de toetsingscriteria zoals die worden gehanteerd door de CWI als uitgangspunt worden genomen. In dit verband stelt de kantonrechter vast dat de werkgever bij het verzoekschrift geen financiële stukken heeft gevoegd aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of een bedrijfseconomische noodzaak aanwezig is voor het verval van zeven arbeidsplaatsen. Nadien is uitsluitend een concept winst- en verliesrekening over het jaar 2002 overgelegd en is op de laatste middag voor de mondelinge behandeling een balans toegestuurd over de periode januari-mei 2003. Gebleken is dat de werknemer en zijn gemachtigde van deze stukken geen kennis hebben kunnen nemen, doordat deze niet naar hen zijn toegestuurd. Daardoor zijn zij in hun verdediging geschaad. Ook los daarvan blijkt uit deze financiële stukken niet van een noodzaak voor het vervallen van zeven arbeidsplaatsen. Ook indien dit wel het geval zou zijn, staat niet vast dat juist de werknemer zou moeten afvloeien. De werkgever stelt dat hij het anciënniteitsbeginsel niet heeft toegepast omdat alle personeelsleden op 26 oktober 2001 in dienst zijn getreden. Bij de toepassing van het anciënniteitsbeginsel kan er echter niet aan worden voorbijgaan dat de werknemer eerder bij Fifo Vaklab en Capi Color in dienst is geweest. Nu de werkgever de werkzaamheden van deze bedrijven op hetzelfde adres en met het merendeel van de werknemers van Fifo Vaklab heeft voortgezet, dient bij de toepassing van de anciënniteitsvolgorde rekening gehouden te worden met de bij Fifo Vaklab en/of Capi Color doorgebrachte diensttijd. Een en ander leidt tot de conclusie dat de noodzaak voor ontbinding onvoldoende is aangetoond, zodat het verzoek moet worden afgewezen.

Verder lezen
Terug naar overzicht