Kantonrechter Maastricht 06-06-2001 (Nevelstein), JAR 2001, 120


Kennelijk onredelijk ontslag. Ziekte (oudere arbeidsongeschikte werknemer).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 120.

Een werknemer (salaris NLG 5.640,35) is, na een dienstverband van 25 jaar, op 56-jarige leeftijd arbeidsongeschikt geworden. Na twee jaar arbeidsongeschiktheid heeft de werkgever met toestemming van de RDA het dienstverband tussen partijen beëindigd. De werknemer stelt dat dit ontslag kennelijk onredelijk is vanwege het ontbreken van enige vergoeding. Daartoe voert hij tevens aan dat zijn - psychische - ziekte het gevolg is van het werk. De kantonrechter stelt vast dat een ontslag na twee jaar ziekte kennelijk onredelijk kan zijn als de ziekte het gevolg is van het werk. Er is dan immers sprake van ziekte die in de risicosfeer van de werkgever ligt. Volgens de kantonrechter is de norm van art. 7:681 BW in dit opzicht te vergelijken met die van zowel art. 7:685 BW als art. 7:658 BW. Ook indien die artikelen van toepassing zijn, kan een werkgever enkel aansprakelijk worden gehouden voor de gevolgen van arbeidsongeschiktheid van zijn werknemer indien hem daarvan een verwijt valt te maken of de arbeidsongeschiktheid in zijn risicosfeer valt. In de onderhavige zaak heeft de werknemer onvoldoende aangetoond dat zijn klachten daadwerkelijk het gevolg van zijn werk zijn. Daarom zal hij dit alsnog moeten bewijzen. Slaagt hij hierin, dan is de werkgever gehouden zijn schade te vergoeden. Bij de begroting daarvan kan aangesloten worden bij de "echte" schadevergoedingsnormen van art. 7:658 BW. Dit komt in dit geval ook overeen met de normen van art. 7:685 BW, omdat conform de aanbevelingen een vergoeding nimmer hoger mag zijn dan de werkelijk geleden schade, en gelet op de leeftijd van de werknemer, deze laatste schade lager zal zijn dan een vergoeding berekend volgens de kantonrechters- formule. Tenslotte overweegt de kantonrechter geen reden te zien voor het buiten beschouwing laten van de problematiek van art. 7:658 BW in een procedure ex art. 7:681 BW, gelet onder meer op de gelijkenissen tussen beide procedures. De kantonrechter gelast een comparitie van partijen

Terug naar overzicht