Kantonrechter Maastricht 17-04-2002 (Coenegracht), JAR 2002, 161


Functiewijziging. Goed werkgeverschap. Smartengeld.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 161.

De werknemer verzoekt veroordeling van de werkgever tot betaling aan hem van een vergoeding voor immateriële schade van NLG 10.000,--. Daartoe voert hij aan dat hij ten onrechte niet in de functie van technicus besturingstechniek, een functie die door reorganisatie is ontstaan, is benoemd, terwijl dit wel is gebeurd met al zijn collega's. Verder zou de werkgever ten onrechte kritiek hebben geuit op zijn werkhouding, mentaliteit en productiviteit. In een eerdere procedure heeft de rechtbank de werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot tewerkstelling in de nieuwe functie, omdat de werknemer inmiddels met vervroegd pensioen was gegaan. Wel heeft de rechtbank overwogen dat de werkgever, door de werknemer niet in de nieuwe functie te benoemen, in strijd heeft gehandeld met de beginselen van goed werkgeverschap, waaronder het beginsel dat alle werknemers gelijk behandeld moeten worden. De kantonrechter stelt vast dat, nu de rechtbank in de procedure over tewerkstelling heeft geoordeeld dat de werkgever in strijd heeft gehandeld met de beginselen van goed werkgeverschap, de werkgever gehouden zou zijn om vermogenschade van de werknemer te vergoeden, indien daarvan sprake zou zijn geweest. Partijen zijn het er echter over eens dat zich geen materiële schade heeft voorgedaan. Voor toewijzing van een vergoeding voor immateriële schade is vereist dat de benadeelde fysiek in zijn persoon is aangetast, dan wel dat hem ernstig psychisch leed is berokkend of zijn eer en goede naam is geschaad. Dat de werknemer in zijn eer en goede naam is geschaad, kan volgens de kantonrechter niet worden gezegd. Gebleken is dat de werkgever wel enige grond had voor zijn aanmerkingen op de werkhouding van de werknemer, zij het dat die aanmerkingen onvoldoende waren om de werknemer niet te benoemen in de nieuwe functie. Niet gebleken is dat de werkgever de aanmerkingen in nodeloos grievende bewoordingen heeft geuit en/of daaraan meer ruchtbaarheid heeft gegeven dan vereist was. Voor zover de werknemer psychisch leed heeft ondervonden komt dit niet voor vergoeding in aanmerking omdat niet aannemelijk is dat dit leed het gevolg is van handelen van de werkgever dat adequaat is om het leed te veroorzaken. Bovendien komt psychisch onbehagen niet op de voet van art. 6:106 BW voor vergoeding in aanmerking.

Verder lezen
Terug naar overzicht