Kantonrechter Middelburg 05-08-2002 (Klarenbeek), JAR 2002, 253


Bedrijfsongeval. Beroepsziekte (mesothelioom). Smartengeld. Verjaring.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 253.

De werknemer heeft van 1947 tot 1957 bij de werkgever gewerkt. In 1996 is bij de werknemer de diagnose mesothelioom gesteld. Op 6 september 1997 is de werknemer op 70-jarige leeftijd overleden. Bij brief van 28 oktober 1996 heeft de werknemer zijn werkgever ex art. 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor zijn schade. Bij brief van 8 november 1996 heeft de verzekeraar de vordering afgewezen met een beroep op verjaring. De verzekeraar heeft dit standpunt gehandhaafd ook na het arrest van de Hoge Raad waarin is geoordeeld dat onder bepaalde omstandigheden een beroep op de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aan de weduwe is een uitkering van NLG 35.000,-- toegekend in het kader van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers. Zij vordert thans volledige schadevergoeding. De kantonrechter overweegt dat verjaring geen belemmering vormt voor de toegang tot de rechter als bedoeld in art. 6 EVRM. Dit is anders wanneer iemand door de lange latentietijd van de asbestziekte niet de mogelijkheid heeft gehad om zich binnen de absolute verjaringstermijn van dertig jaar tot de rechter te wenden. Ook in dat geval blijft een afweging nodig. In dit geval mag worden aangenomen dat de weduwe van de werknemer bij diens overlijden dichtbij de pensioengerechtigde leeftijd was, als zij die al niet had bereikt. Hiervan uitgaande is de gevorderde immateriële schadevergoeding belangrijker dan de materiële. Deze immateriële schadevergoeding zal echter niet ten goede komen aan de werknemer zelf. Het feit dat de werkgever zich op verjaring heeft beroepen toen de werknemer nog leefde en de vordering nu zou worden afgewezen omdat de werknemer niet meer leeft, lijkt wrang, doch bedacht moet worden dat toen de werkgever zich op verjaring beriep dit nog geldend recht was. De weduwe heeft eerst vijf jaar na de eerste aansprakelijkstelling een rechtsvordering ingesteld. Zij heeft aangevoerd proefprocedures over de verjaringstermijn te willen afwachten. Niet gebleken is echter dat zij de werkgever daarover heeft geïnformeerd. Gelet met name op dit punt en op het feit dat een immateriële schadevergoeding niet aan de werknemer zelf ten goede zou komen, pleit er te weinig voor en te veel tegen een doorbraak van de absolute verjaringstermijn.

Verder lezen
Terug naar overzicht