Kantonrechter Middelburg 10-01-2000 (Klarenbeek), JAR 2000, 93


Gelijke behandeling. Vakantie. Zwangerschap. Onderwijs.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 93.

(Vervolg Kantonrechter Middelburg 06-09-1999, JAR 1999, 201, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 135). Het zwangerschapsverlof en bevallingsverlof van een docent valt samen met de kerstvakantie, respectievelijk de voorjaarsvakantie. Volgens de Commissie Gelijke Behandeling betekent het ontbreken van een compensatieregeling indirect onderscheid op grond van geslacht in de arbeidsvoorwaarden. De werkneemster verzoekt vervolgens toevoeging van het vakantieverlof aan haar bevallingsverlof. De werkgever wijst het verzoek af, stellende dat de van toepassing zijnde CAO en de Rechtspositieregeling bijzonder onderwijs (RPBO) dit niet toestaan. De werkneemster vordert vervolgens toekenning van 13 vakantiedagen, subsidiair een vervangende schadevergoeding. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van art. 7:629a en art. 7:635 BW niet gewerkte dagen wegens zwangerschap en bevalling niet kunnen worden aangemerkt als vakantiedagen, zonder dat de werknemer daarmee instemt. In dit geval bevat de RPBO geen regeling over het samenvallen van vakantie en zwangerschapsverlof, respectievelijk bevallingsverlof. De kantonrechter stelt de werkgever bij tussenvonnis in de gelegenheid aannemelijk te maken dat op grond van de RPBO bij samenval vakantieaanspraken verloren gaan. Als de werkgever aan deze vraag voorbij gaat, stelt de kantonrechter vast dat uit het ontbreken van een samenvalbepaling niet volgt dat bij samenval geen vakantieverlof wordt genoten en de aanspraak op misgelopen vakantie verloren gaat. Een dergelijke uitleg zou in strijd zijn met de dwingendrechtelijke bepaling in het BW. Van deze bepaling kan ook niet worden afgeweken bij CAO. Dat de werkneemster indirect zou hebben ingestemd met het aanwijzen van niet gewerkte dagen in verband met zwangerschap en bevalling als vakantiedagen, omdat de CAO-partners daarover overeenstemming hadden, wijst de kantonrechter van de hand. De ingevolge art. 7:636 BW vereiste instemming kan niet bij voorbaat worden gegeven. De kantonrechter komt tot de conclusie dat de werkneemster aanspraak heeft op 13 vakantiedagen, die niet kunnen worden afgekocht tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst. De subsidiaire vordering dient dan ook te worden afgewezen. De kantonrechter veroordeelt de werkgever de werkneemster 13 vakantiedagen binnen een redelijke termijn te laten opnemen op verbeurte van een dwangsom.

Terug naar overzicht