Kantonrechter Middelburg 14-06-1999, JAR 1999, 138 (Melens)


Functiewijziging. Goed werknemerschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 138.

Een werkgever deelt zijn werknemer, een 53-jarige senior vertegenwoordiger, bijna 30 jaar in dienst, in een ander marktsegment in, onder handhaving van de geldende arbeidsvoorwaarden. De werknemer gaat niet akkoord met deze wijziging omdat hij de gewijzigde functie inhoudelijk minder interessant vindt. In zijn oude functie had hij contacten op hoog niveau met grote verantwoordelijkheden en met multinationale klanten en in het nieuwe marktsegment heeft hij alleen met nationale klanten te maken. De werkgever vordert een verklaring voor recht dat de functie van vertegenwoordiger in het andere marktsegment een passende functie is, die de werknemer dient te accepteren. De werkgever stelt op grond van het beloningssysteem in de van toepassing zijnde CAO het verkoopgebied te kunnen veranderen zonder toestemming van de werknemer, tenzij deze verandering gepaard gaat met een aanmerkelijke verlaging van de verkoopkansen en dus van de provisie. Dat is hier niet het geval. Bovendien is er geen sprake van degradatie. De kantonrechter overweegt dat op grond van art. 7:611 BW zowel de werkgever als de werknemer zich als een goed werkgever, respectievelijk goed werknemer dienen te gedragen. Dit betekent dat de werknemer een redelijk voorstel tot wijziging dient te aanvaarden, los van de vraag of er sprake is van een schriftelijk beding in de zin van art. 7:613 BW. Volgens het beloningssysteem is er geen sprake van een redelijk voorstel ingeval van verlaging van de verkoopkansen op korte termijn. Het is echter niet aannemelijk dat de segmentswijziging tot een aanmerkelijke verlaging van de provisie zal leiden. Weigering op die grond is dan ook niet redelijk. Ook de argumenten dat de werknemer een ervaren verkoper is die bovendien woont in het marktgebied en dat de werknemer het niet goed kan vinden met zijn huidige leidinggevende, maken het voorstel van de werkgever redelijk. Bovendien heeft de werknemer onvoldoende aangetoond dat de inhoudelijke wijziging zó ingrijpend voor zijn wijze van functioneren is dat aanvaarding redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. De kantonrechter wijst de vordering toe.

Terug naar overzicht