Kantonrechter Middelburg 23-04-2001 (Doorewaard Boekhout), JAR 2001, 191, Prg. 2001, 5750


Studiekosten. Loon. Verrekening (Haviltex-criterium).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 191.

Partijen verschillen van mening over de vraag of de werknemer gehouden is een gedeelte van de kosten van de beroepsopleiding advocatuur aan de werkgever terug te betalen nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd. De werkgever heeft hiertoe een bedrag ingehouden op de eindafrekening. In de stagiaire-overeenkomst die partijen aanvankelijk hadden gesloten, was een dergelijke verplichting opgenomen. Partijen hebben daarna een medewerkerovereenkomst gesloten, waarin de verplichting niet met zoveel woorden is vermeld. Wel wordt in deze overeenkomst verwezen naar art. 15 van de eerste arbeidsovereenkomst. De werkgever stelt dat dit art. 17 moet zijn (het artikel waarin de terugbetalingsverplichting is geregeld) en dat sprake is van een ook voor de werknemer kenbare typefout. De werknemer betwist dit. Hij stelt ervan uit te zijn gegaan dat de verwijzing naar art. 15 een garantie inhoudt dat de werkgever zou blijven zorgen voor een zo goed mogelijke opleiding en dat hij de werknemer in de gelegenheid zou blijven stellen om tijdens kantoortijd deel te nemen aan opleidingsactiviteiten. De kantonrechter stelt vast dat onduidelijk is wat partijen met elkaar hebben besproken, wat zij hebben afgesproken en wat zij over en weer redelijkerwijs mochten begrijpen. In elk geval staat in de medewerker- overeenkomst niet duidelijk een terugbetalingsverplichting vermeld. De uitleg van de werknemer dat hij meende dat een garantie werd gegeven ten aanzien van voortzetting van de opleiding is niet zo onlogisch en ongeloofwaardig dat deze naar het rijk der fabelen zou moeten worden verwezen. Nu de bedoeling van partijen niet duidelijk op papier staat, moet dit voor rekening van de werkgever komen. De vordering van de werknemer tot betaling aan hem van het ingehouden bedrag is derhalve toewijsbaar

Terug naar overzicht