Kantonrechter Middelburg 25-02-2002 (Klarenbeek), JAR 2002, 76


Gratificatie/tantième (terugkoopwaarde opties). Loon.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 76.

De werkneemster is van 4 februari 1991 tot en met 18 mei 1992 bij de werkgever in dienst is geweest. Krachtens een aandelenoptieovereenkomst d.d. 19 mei 1989 heeft de werkgever aan de werkneemster 33 aandelenopties gegeven met een looptijd van vijf jaar. In de overeenkomst is bepaald dat bij voortijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst 20% van het met de optie behaalde voordeel moet worden terugbetaald aan de optiegever. De waarde wordt daarbij vastgesteld op basis van de gemiddelde genormaliseerde winst over de laatste vier boekjaren. De werkneemster heeft haar opties in juni 2001 uitgeoefend. De werkgever heeft aan de werkneemster NLG 40.092,52 betaald voor haar opties. Daarbij is de werkgever uitgegaan van de genormaliseerde winst over de boekjaren 1997/1998, 1998/1999, 1999/2000 en de geschatte winst over het boekjaar 2000/2001. De werkneemster stemt niet in met dit laatste omdat het optierecht is uitgeoefend vóór het einde van het boekjaar 2000/2001. Zij stelt dat moet worden uitgegaan van de boekjaren 1996/1997, 1997/1998, 1998/1999 en 1999/2000. Zij vordert betaling van het verschil tussen de uitkomsten van beide berekeningen, zijnde € 10.446,37. De kantonrechter stelt vast dat in een eerder stadium weliswaar voor de uitoefenprijs van de opties het lopende boekjaar is meegenomen, maar dat dit geenszins betekent dat dit ook geldt voor de (terugkoop)waarde van de opties. Het begrip "de laatste vier boekjaren" in de optieovereenkomst moet zo worden uitgelegd dat hieronder niet het nog lopende boekjaar valt. Een dergelijke uitleg strookt niet met een notitie van de werkgever en zou ook tot onoverkomelijke problemen leiden indien een optie wordt uitgeoefend kort na het begin van het lopende boekjaar. De kantonrechter verwerpt verder het verweer dat de werkneemster niet gerechtigd zou zijn kort voor het einde van het boekjaar haar opties uit te oefenen, terwijl de slechte prestaties in het daaropvolgende boekjaar ook aan haar zijn te wijten. Uit de optieovereenkomst volgt niet dat de werkneemster hiertoe niet gerechtigd zou zijn en ook overigens geldt dat het moment van winst nemen door de werkneemster was aangebroken in verband met het beëindigen van haar arbeidsovereenkomst.

Terug naar overzicht