Kantonrechter Middelburg 29-05-2000 (Kool), Prg. 2000, 5494


Wederzijds goedvinden. Bereidheid bedongen arbeid. CAO. Wettelijke verhoging.

Werknemer zegt in diverse telefoongesprekken niet meer te komen werken en ontslag te nemen. Werknemer komt later op een en ander terug en in de procedure tot doorbetaling van loon wordt aan de werkgever het bewijs opgedragen dat er sprake is geweest van een duidelijke en ondubbelzinnige op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte wilsverklaring van de werknemer. Op grond van getuigenverklaringen wordt dat bewezen geacht, maar de kantonrechter oordeelt dat de werknemer daaraan niet gehouden kan worden omdat hij in drift heeft gehandeld en op de werkgever de onderzoeksplicht rustte of de werknemer daadwerkelijk ontslag wilde nemen. Daaraan heeft de werkgever niet voldaan, zodat in beginsel aanspraak op doorbetaling van loon bestaat. Het verweer dat de werknemer zich niet beschikbaar heeft gehouden voor werk wordt gehonoreerd tot de datum waarop de werkgever de protestbrief van de werknemer ontving. Voor de hoogte van het loon beroept de werknemer zich op de CAO, waarvan de werkgever de toepasselijkheid betwist. De werkgever is geen lid van een CAO-partij, maar de CAO is gedeeltelijk algemeen verbindend verklaard en voor de betreffende gedeelten (waaronder niet het hoofdstuk over loonsverhoging) wijst de kantonrechter de vordering toe. De wettelijke verhoging wordt ambtshalve gematigd tot 10%.

Terug naar overzicht