Kantonrechter Middelburg 31-05-2000 (Klarenbeek), 04-12-2000 (Doorewaard Boekhout), JAR 2001, 5


Bedrijfsongeval (beroepsziekte; RSI). Bewijs (voorlopig deskundigenbericht).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 5.

Een werknemer (thans 39 jaar) is na een dienstverband van negen jaar als monteur/wikkelaar bij de productie van transformatoren vanaf 1993 herhaaldelijk ziek geworden als gevolg van pijnklachten in het achterhoofd, de schouders en rechterarm. In augustus 1995 is de werknemer definitief uitgevallen. Na een procedure tegen het Lisv te hebben gewonnen, is hem een volledige WAO-uitkering toegekend. In de procedure tegen het Lisv is door de medisch deskundige (revalidatiearts, gespecialiseerd op het gebied van RSI-klachten) die de rechtbank heeft benoemd vastgesteld dat de werknemer lijdt aan het RSI-syndroom fase 2 à 3. De werkgever heeft de kantonrechter verzocht een voorlopig deskundigenbericht te gelasten teneinde daarin vragen te kunnen stellen over de klachten van de werknemer aan een neuroloog en een orthopeed. De werknemer heeft de werkgever in rechte aansprakelijk gesteld op grond van art. 7:658 BW. De kantonrechter wijst het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht af. Naar het oordeel van de rechter is in het rapport van de revalidatiearts voldoende duidelijk aangegeven welke beperkingen de werknemer ondervindt, hoe zijn klachten zich ontwikkelen en wat de prognose is. Daarbij is van belang dat de arts is benoemd door de rechtbank in een procedure op tegenspraak en geen 'eigen' deskundige van de werknemer is. Weliswaar heeft de werkgever aan deze deskundige geen vragen kunnen stellen, doch het belang om dit alsnog te kunnen doen weegt niet op tegen de belasting voor de werknemer van een nieuw onderzoek en de medisch-ethische bezwaren ervan, temeer niet nu de werknemer inmiddels de werkgever heeft gedagvaard uit hoofde van art. 7:658 BW. In de procedure ex art. 7:658 BW overweegt de kantonrechter dat de werknemer voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden. Met name volgt dit uit het rapport van eerdergenoemde revalidatiearts. Het is vervolgens aan de werkgever om aan te tonen dat hij, voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd, alles heeft gedaan om te voorkomen dat de werknemer schade zou lijden. Naar het oordeel van de rechter is de werkgever niet in deze bewijslast geslaagd. Hij heeft voornamelijk het causaal verband tussen de klachten van de werknemer en het werk betwist en heeft voor het overige slechts in het algemeen gesteld dat hij zich aan zijn zorgplicht ten aanzien van de ergonomie van het werk zou houden. Hiermee heeft hij echter geen inzicht verstrekt in de vraag op welke wijze en onder welke omstandigheden de werknemer destijds zijn werkzaamheden heeft uitgevoerd en evenmin in de door hem genomen maatregelen om klachten als de onderhavige te…

Terug naar overzicht