Kantonrechter Nijmegen 14-09-2001 (Bartelds), JAR 2001, 227


Arbeidstijd (vermeerdering arbeidsduur na eerdere vermindering). Voorlopige voorziening. Wijziging arbeidsvoorwaarden.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 227.

De werknemer is sinds 25 juli 1994 in dienst van de werkgever, laatstelijk als eerste behandelaar paskamer. Zijn dienstverband tot 1 juni 2001 betrof 36 uur per week. De werkgever houdt zich bezig met het leveren van hulpmiddelen op het terrein van de gezondheidszorg. Naast zijn werk houdt de werknemer zich bezig met nevenactiviteiten op het gebied van sportmassage en de (medische) begeleiding van een basketbalteam. In de tweede helft van 2000 en de eerste helft van 2001 heeft de werknemer een paar keer om vermindering van zijn arbeidsduur verzocht. Bij brief van 13 april 2001 heeft de werkgever het laatste verzoek hiervan, om vermindering tot 18 uur, ingewilligd met ingang van 1 juni 2001. Deze brief heeft hij verstuurd één dag na een woordenwisseling tussen partijen op 12 april 2001 over de nevenactiviteiten van de werknemer. De werknemer heeft bij brief van 25 april 2001 zijn verzoek om vermindering van de arbeidsduur ingetrokken naar aanleiding van het gesprek op 12 april 2001. Hij wil weer 36 uur werken. De werkgever heeft geweigerd op dit verzoek in te gaan en betaalt vanaf 1 juni 2001 salaris over 18 uur per week. De werknemer is thans ziek. Hij vordert bij wege van voorlopige voorziening dat de werkgever weer loon over 36 uur gaat betalen. De kantonrechter stelt vast dat door inwilliging door de werkgever van het (onvoorwaardelijke) verzoek van de werknemer om 18 uur te mogen gaan werken een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen per 1 juni 2001 waarvan de arbeidsduur 18 uur bedraagt. Het nieuwe verzoek van de werknemer kan aangemerkt worden als een verzoek om zijn arbeidsduur weer uit te breiden. De kantonrechter constateert dat de werkgever dit verzoek enkel heeft afgewezen vanwege het conflict tussen partijen over de nevenactiviteiten van de werknemer. Dit conflict dient evenwel niet in het kader van vaststelling van de arbeidsduur worden uitgevochten. Het kan ook niet als zwaarwegend bedrijfsbelang in de zin van de WAA, dat zich verzet tegen uitbreiding van de arbeidsduur, gelden. Dit geldt temeer nu de werkgever heeft aangegeven dat er werk genoeg is. De arbeidsduur dient daarom per 1 juni 2001 weer op 36 uur te worden gesteld

Terug naar overzicht