Kantonrechter Oud-Beijerland 01-03-1999, 31-05-1999, JAR 1999, 151 (Houtman)


Kennelijk onredelijk ontslag. Sociaal plan. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 151.

Een werkgever zegt met toestemming van de RDA het dienstverband op van 54 werknemers, waaronder een 53-jarige werknemer, dertien jaar in dienst, salaris NLG 4.496,91 bruto per maand. De werkgever is in verband met bedrijfssluiting met de vakverenigingen een sociaal plan overeengekomen op grond waarvan de werknemer recht heeft op suppletie van zijn WW-uitkering met 12,5% van het netto salaris gedurende 30 maanden. De werknemer acht deze vergoeding te mager, gezien zijn leeftijd, dienstverband en geringe kansen op de arbeidsmarkt. Hij vordert op grond van kennelijk onredelijk ontslag een vergoeding op basis van de kantonrechtersformule. Volgens de kantonrechter is deze formule geen eindstation, maar een vertrekpunt, waarbij de aanwezigheid van een Sociaal Plan een rol kan spelen. Dat betekent echter niet dat de concrete omstandigheden van de werkgever en de werknemer buiten beschouwing moeten blijven. De kantonrechter stelt vast dat het Sociaal Plan een heel goede regeling kent voor 55-plussers (80% van het laatst verdiende netto loon tot aan 65 jaar). Voor oudere werknemers jonger dan 55 jaar met veel dienstjaren is het Sociaal Plan ongunstig en wijkt het in hoge mate af van de kantonrechtersformule en van andere Sociale Plannen. Met betrekking tot de financiële positie van de werkgever overweegt de kantonrechter dat het bedrijf onderdeel is van een moederconcern dat winstgevend is en dat ongetwijfeld een groot economisch voordeel heeft bij de bedrijfssluiting. Op grond hiervan is de kantonrechter van oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is en aan de werknemer naast de uitkering op grond van het sociaal plan een vergoeding naar billijkheid toekomt, gelijk aan zes maanden salaris (NLG 30.750,-- bruto). (Hoger beroep ingesteld).

Terug naar overzicht