Kantonrechter Oud-Beijerland 17-09-2001 (Kemp), Prg. 2001, 5763


Bepaalde tijd. Vakantie. Ziekte.

Een magazijnmedewerkster (voor bepaalde tijd van een half jaar in dienst, salaris NLG 2.167,43 bruto per maand) wordt één maand na indiensttreding arbeidsongeschikt. De werkneemster werkt vervolgens op arbeidstherapeutische basis gedurende één uur per dag. Voor het einde van het dienstverband gaat de werkneemster zonder overleg met de werkgever met vakantie. De werkgever beschouwt deze dagen als vakantie en boekt ze af op het opgebouwde vakantietegoed. De werkneemster stelt dat zij met toestemming van de Arbo-arts met vakantie is gegaan en dat zij geen vakantie heeft opgenomen. Zij vordert een vergoeding van 86 uur niet genoten vakantie-uren (NLG 1.290,-- bruto). De werknemer betwist de toestemming van de Arbo-arts. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van art. 7: 636 BW de werkgever ziekte-uren niet als vakantie-uren kan aanmerken. Omdat de werkneemster gedurende drie dagen niet op arbeidstherapeutische basis heeft gewerkt, had de werkgever op grond van art. 7: 329 lid 3b BW het loon niet behoeven uit te betalen. Dit geldt ook voor de vakantie-uren, indien de Arbo-arts geen toestemming had verleend. Eigenmachtig de uren aanmerken als vakantie is niet geoorloofd. De vordering dient dan ook te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente

Terug naar overzicht